Nieuws

Graag informeren wij u over interessant nieuws uit de branche en/of over ons bedrijf zelf. Op deze pagina leest u er meer over. Met enige regelmaat verversen we de inhoud van deze nieuwspagina, dus willen we u vragen om regelmatig te controleren of er voor u belangrijk nieuws te lezen is.

Bel vrijblijvend:

t: 040-3030707

ZZP-MUSICUS IS EIGENLIJK IN LOONDIENST OORDEELT DE RECHTBANK (25-09-2020)

Een contrabassist met een zzp-overeenkomst bij Het Balletorkest had eigenlijk in loondienst moeten blijven. Dat heeft de rechtbank Amsterdam geoordeeld. De bassist had jaren een vast contract dat werd omgezet in een overeenkomst. De uitspraak zou wel eens de weg vrij kunnen maken voor meer rechtszaken van freelancers in de culturele sector.

Vast loon en instructies
Het lijkt een simpele kwestie. Iemand die deel is van de flexibele groep muzikanten in een orkest (ook wel gastspeler genoemd) moet op vaste tijden spelen, krijgt een vast loon en volgt instructies van de dirigent. Zo iemand is geen zelfstandige. Maar het is toch iets gecompliceerder volgens Alf Bungener, advocaat van de contrabassist die de zaak aanspande.

‘De rechter kijkt of er sprake is van arbeid, loon en gezag. Vervolgens gaat die alles heel feitelijk benaderen. Word je uitgenodigd voor feesten of cursussen? Maak je onderdeel uit van de vaste club? Wordt er structureel gewerkt? Het was niet vanzelfsprekend dat mijn cliënt deze zaak zou winnen.’

Bezuinigingen

Advocaat Coby van den Berg staat vaak werkenden uit de kunstsector bij. ‘Deze uitspraak schept een precedent’, zegt ze. ‘Het zal grote gevolgen hebben voor Het Balletorkest.’ Eerder deze maand schreef zij namens de Kunstenbond een brief aan de directie van het orkest nadat een zzp’er de deur werd gewezen. Zij stelde in de brief dat er feitelijk sprake was van een arbeidscontract en dat de betreffende muzikant niet zomaar kon worden weggestuurd.

Het Balletorkest heeft 45 musici in loondienst. Per productie komen daar tussen de 20 en dertig gastspelers bij die werken als freelancer. Veel orkestleden zagen na de drastische bezuinigingen in 2011 hun vaste contract verdwijnen en werden vervolgens als zzp’er ingehuurd.

Eerder vonnis
In 2015 oordeelde het Hof in Den Haag ook al in een dergelijke zaak over zzp’ers in de kunstensector. Ook toen was het oordeel dat zzp’ers in een orkest schijnzelfstandigen zijn. Hoogleraar arbeidsrecht Evert Verhulp noemt het dan ook ‘onvoorstelbaar’ dat de zzp-constructie voor gastspelers van Het Balletorkest zo lang heeft bestaan.

‘Want je kunt in een orkest niet als zelfstandige werken. Je kunt niet leuk staan spelen wat je zelf wilt: je bent ondergeschikt. Je maakt onderdeel uit van een organisatie en moet de instructies opvolgen.’

Geen stormloop

Er zouden dus meer musici naar de rechter kunnen stappen met het vonnis in de hand. De verwachting is echter dat er geen grote hoeveelheden rechtszaken zullen worden aangespannen. Mensen moeten immers het lef hebben om een procedure te starten. Daarbij komt dat de kans om te spelen in het betreffende orkest daarmee vrijwel zeker is verkeken.

De musicus is ook vaak zelf akkoord gegaan met de constructie waardoor de vraag kan worden gesteld waarom niet eerder aan de bel is getrokken. Volgens Bungener moeten de vakorganisaties snel met elkaar om te tafel om na te denken over oplossingen. Voor zijn cliënt moet hij nu, in opdracht van de rechter en samen met Het Balletorkest, in kaart brengen hoe de arbeidsovereenkomst er uit moet komen te zien.

bron: FD

HYPOTHEEK TWEEVERDIENERS STIJGT VANAF 2021 (25-09-2020)

Tweeverdieners kunnen vanaf 2021 mogelijk meer lenen voor de aankoop van hun huis. Het kabinet wil het laagste inkomen zwaarder laten wegen in de berekening voor de maximale hypotheek. Straks kan 90% in plaats van 80% van het laagste inkomen meegerekend worden in de som, die bepaalt welk deel van het salaris zij maximaal kunnen lenen. De weging van de studieschuld gaat daarentegen iets omlaag.

Hypotheek stijgt met 10.000 tot 12.000 euro
De aanpassing in de inkomensnorm laat de huidige maximale hypotheek van drie ton al gauw stijgen met 10.000 tot 12.000 euro, stelt Rene Wickerhoff van hypotheekadviseur Van Bruggen Adviesgroep tegenover de krant.

DNB is pessimistisch
De wetswijziging is opvallend, omdat De Nederlandsche Bank (DNB) zich eerder al negatief opstelde tegenover de steeds ruimere leennormen. Volgens de bank zijn de huizenprijzen in de afgelopen kwarteeuw niet zozeer verdrievoudigd vanwege woningtekorten, maar vooral omdat Nederlanders een steeds hogere hypotheek konden krijgen. Die financieringsruimte is volgens DNB gestegen door de steeds lagere rente, hogere salarissen en veranderende inkomensnormen van het Nibud.

Prijzen van huizen lopen op
Het gevolg is volgens DNB dat meer huizen bouwen de prijzen niet verlaagt. ‘Hierdoor hebben starters weinig baat bij het verhogen van de maximale leenruimte’, concludeert de bank. Een verhoging van die maximale hypotheek vergroot weliswaar op korte termijn het budget voor een woning, maar dat leidt er vooral toe dat de prijs van het huis uiteindelijk oploopt. Volgens DNB zijn starters meer gebaat bij de afbouw van de hypotheekrenteaftrek, omdat er zo minder behoefte is aan hoge leningen.

Hoger percentage vanwege hogere inkomens
Volgens het Nibud kan er met een hoger percentage worden gerekend, omdat het inkomen van tweeverdieners is gegroeid. Dat komt door belastingmaatregelen die de arbeidsparticipatie moesten vergroten. Of tweeverdieners uiteindelijk daadwerkelijk meer kunnen lenen, is nog wel afhankelijk van mogelijke veranderingen in de woonquote, die elk najaar wordt vastgesteld.

Studieschuld

Ook de studieschuld gaat mogelijk minder zwaar meewegen op het maximale hypotheekbedrag. Nu is er sprake van een vaste ‘wegingsfactor’ die hypotheekverstrekkers zes jaar geleden gezamenlijk hebben bepaald. Sindsdien daalden de rentes, maar veranderde deze norm niet. Daar komt nu mogelijk verandering in. De wegingsfactor wordt flexibeler en is vanaf volgend jaar afhankelijk van de rente op studieleningen. Aangezien deze nu nagenoeg nul is, kunnen de meeste oud-studenten volgens schattingen van hypotheekadviseurs een paar duizend euro meer lenen voor de aankoop van een huis.

Bron: FD

FORMULIER ALS TIJDELIJKE OPLOSSING VOOR EHERKENNINGPROBLEMATIEK (19-08-2020)

Belastingplichtigen die geen gebruik maken van software, een intermediair of eHerkenning kunnen via een formulier een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting aanvragen. Alle binnenlandse belastingplichtigen kunnen gebruik maken van het formulier. Buitenlandse belastingplichtigen kunnen gebruik maken van een ander formulier.

Techniek sterk verouderd
Voor belastingplichtigen die in het bezit zijn van eHerkenning heeft het de voorkeur dat zij de voorlopige aanslag vennootschapsbelasting via het reguliere digitale proces aanvragen of wijzigen. Het formulier is ontwikkeld als snel te implementeren oplossing om op korte termijn tegemoet te komen aan de bezwaren van het aanschaffen van eHerkenning, schrijft staatssecretaris Vijlbrief.

De techniek achter het oude ondernemersportaal (PDO) is sterk verouderd. Daarom is ervoor gekozen deze methode niet langer langer in stand te houden. Aanpassingen aan het PDO zijn technisch niet meer mogelijk. Nieuwe formulieren, die nodig zijn als gevolg van nieuwe wetgeving, kunnen niet meer op het oude portaal worden ontwikkeld.

Voor de Vennootschapsbelasting worden jaarlijks nieuwe formulieren ontwikkeld op basis van nieuwe wet- en regelgeving. Deze nieuwe formulieren voor de Vpb 2019 zijn alleen ontwikkeld in het nieuwe ondernemersportaal, Mijn Belastingdienst-zakelijk (MBDz). Voor het aanvragen of wijzigen van de voorlopige aanslag Vpb is daarnaast een formulier beschikbaar gesteld op de website van de Belastingdienst. Het oude portaal is nog beschikbaar voor het doen van aangifte Vennootschapsbelasting 2018 en eerdere jaren.

Aangifte omzetbelasting
Ook voor de omzetbelasting geldt dat aanpassingen aan het oude portaal niet meer mogelijk zijn. Zolang er geen nieuwe wetgeving voor de omzetbelasting ingevoerd wordt, blijft het vooralsnog mogelijk voor ondernemers om gebruik te maken van het oude portaal voor de omzetbelasting. De mogelijkheden voor het aanvragen of wijzigen van de voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 2020, waaronder de mogelijkheid om dit via het formulier te doen, zijn onder de aandacht gebracht via een actueel bericht op de website van de Belastingdienst, aldus de staatssecretaris.

De Belastingdienst wil ondernemers graag stimuleren om gebruik te maken van het nieuwe ondernemersportaal voor de aangifte omzetbelasting. Om in te loggen hebben ondernemers eHerkenning nodig. Vanwege de bezwaren van de Tweede Kamer met betrekking tot het betalen voor het doen van aangifte wordt een speciaal Belastingdienst eHerkenningsmiddel niveau 3 geleverd. De aanschafkosten kunnen worden teruggevraagd vanaf augustus dit jaar. Met dit Belastingdienst eHerkenningsmiddel kunnen ondernemers ook inloggen op Mijn Belastingdienst zakelijk voor de aangifte omzetbelasting.

Handelsregister registratie
Aan rechtspersonen die geen eHerkenning kunnen aanschaffen en aangifteplichtig zijn voor de loonheffingen en de vennootschapsbelasting is gevraagd of zij gebruik kunnen maken van commerciële software of een fiscaal dienstverlener. De kosten hiervan worden door de Belastingdienst vergoed tot een maximum van 450 euro.

Daar waar registratie in het handelsregister van rechtspersonen op langere termijn onmogelijk blijft, zal de Belastingdienst zorg dragen voor registratie in een passende administratie zodat een eHerkenningsmiddel kan worden uitgegeven. Een wijziging van de wet op het handelsregister die op 1 januari 2021 in werking treedt maakt het mogelijk dat de Hoge Colleges van Staat in het handelsregister kunnen worden opgenomen.

Bron: Rijksoverheid

NIET VERTROUWEN, WEL CONTROLEREN (19-08-2020)

Onlangs kreeg de Hoge Raad de vraag voorgelegd of de kosten die de Belastingdienst maakt in verband met het corrigeren van onjuiste aangiften langs privaatrechtelijke weg kunnen worden verhaald op de belastingplichtige of diens adviseur. Het antwoord op die vraag is al jaren bekend, namelijk niet, maar in elke organisatie staat eens in de tien jaar een generatie klaar om dezelfde fouten te maken als haar voorgangster.

Onjuiste aangiften ingediend
De staat probeerde het dus toch maar weer eens, omdat in dit geval sprake was van ‘op grote schaal en systematisch opzettelijk’ indienen van onjuiste aangiften. Het betrof een belastingadviseur die over de jaren 2007 – 2009 onjuiste aangiften ib/ph had gedaan voor bijna 4.000 cliënten. Die ontvingen daardoor belastingteruggaven waarop zij geen recht hadden. In totaal werd bijna 2.000.000 euro uitgekeerd. Dat lijkt veel, maar ik kom grofstoffelijk gesproken niet verder dan een gemiddelde van rond 500 euro per belastingplichtige over een periode van drie jaar, dus pakweg 165 euro per jaar. Om die bedragen in te vorderen werden naheffingsaanslagen opgelegd, met boete. Een deel van de teruggaven kon niet meer worden ingevorderd. Dat doet de indruk ontstaan dat het hier hoofdzakelijk ging om minvermogenden, voor wie de belastingadviseur via wat gesjoemel trachtte een fiscaal voordeeltje te behalen. Dat moest hij echter bekopen met een strafrechtelijke veroordeling wegens oplichting en valsheid in geschrifte.

Vergoeding van ‘geleden schade’
Daarnaast werd de belastingadviseur nog eens jarenlang achter zijn broek gezeten door de Staat der Nederlanden, die vergoeding van ‘geleden schade’ eiste op grond van onrechtmatige daad. Daarbij ging het niet om de belastinggelden die niet meer konden worden teruggehaald, maar om de ‘extra werkzaamheden’ die de ambtenaren van de Belastingdienst hadden moeten verrichten wegens het controleren en corrigeren van de aangiften, vaststellen van de gewijzigde aanslag of opleggen van een navorderingsaanslag. Daarmee zou een bedrag zijn gemoeid van maar liefst 390.000 euro. De staat werd in alle instanties in het ongelijk gesteld. De rechtbank oordeelde dat vergoeding van deze kosten publiekrechtelijk is uitgesloten en dat verhaal langs privaatrechtelijke weg daarom zou neerkomen op een onaanvaardbare doorkruising van de publiekrechtelijke regeling.

Gezond verstand
Daarbij had de Staat het kunnen laten, enerzijds op grond van eerder gewezen jurisprudentie op het gebied van de tweewegenleer en anderzijds gezond verstand. In de Rijksbegroting wordt immers elk jaar een bedrag opgenomen voor de werkzaamheden van de Belastingdienst en de taken die hier moesten worden uitgevoerd behoren tot die werkzaamheden. Dat de Belastingdienst de afgelopen jaren bijna kapot bezuinigd is en dat deze kwestie daarom intern wellicht als extra bezwarend is ervaren, kan uiteraard geen geldig argument zijn. De redenering van de staat dat de Belastingdienst erop moet kunnen vertrouwen dat aangiften correct worden ingediend werd door A-G Wattel in zijn conclusie met de grond gelijk gemaakt: de Belastingdienst moet controleren, niet vertrouwen. Het hof oordeelde dat grootschalige en systematisch opzettelijke fraude die tot extra werkzaamheden heeft geleid geen veroordeling tot schadevergoeding kan opleveren. De Hoge Raad ging hierin mee. De kosten die zijn gemoeid met de uitvoering van kerntaken kunnen niet op belastingplichtigen worden afgewenteld, kwaadwillend of niet.

Bron: Nextens, Astrid Klein Sprokkelhorst, Eigenaar Brooklyn Legal & Tax Affairs

KENT U DE KOSTEN VAN VERZUIM? (16-06-2020)

Verzuim is duur. De arbeidsongeschikte werknemer kan niet of in beperkte mate productief zijn, maar moet wel worden betaald. Maar de rekening eindigt niet bij de verplichte loondoorbetaling. De kosten van verzuim op een rij.

Om te bekijken wat verzuim een werkgever kost, moet de werkgever onderscheid maken tussen de directe en de indirecte kosten. Allereerst is er natuurlijk het salaris, zonder dat daar productie tegenover staat. Daar komen de betalingen aan de arbodienst nog bij. Het verlies van productie of dienstverlening is een voorbeeld van de indirecte kosten van verzuim.

Loondoorbetaling

Wanneer een werknemer langdurig ziek is, is de werkgever verplicht om de eerste twee jaar van de arbeidsongeschiktheid het salaris door te betalen. Een uitzondering geldt voor werknemers die de aow-gerechtigde leeftijd hebben bereikt. Voor hen moet een werkgever maximaal dertien weken het loon doorbetalen.

Minimaal 70 procent
In het eerste jaar dat de werknemer ziek is, heeft hij recht op minimaal 70 procent van zijn loon. Als dit minder is dan het minimumloon, moet de werkgever dit aanvullen tot dat bedrag, in verhouding tot het aantal uren dat hij werkt. Ook de pensioenpremie en het vakantiegeld worden doorbetaald tijdens ziekte. Hoeveel procent van het loon wordt doorbetaald bij ziekte staat in de arbeidsovereenkomst of de cao. In de meeste gevallen zal dat gedurende het eerste jaar 100 procent zijn. Ook in het tweede ziekte jaar betaalt de werkgever minimaal 70 procent van het loon door. Het loon hoeft nu niet meer te worden aangevuld tot minimaal het minimumloon.

Het loon van werknemers bestaat uit verschillende componenten. Heeft de werknemer per maand/vierwekenperiode variabele loonbestanddelen zoals bijvoorbeeld ploegentoeslag, overwerktoeslag, onregelmatigheidstoeslag, provisie of maandbonus? Dan moeten deze worden meegenomen in de berekening van de loondoorbetalingsverplichting. Uitgangspunt is het gemiddelde loon dat een zieke werknemer had kunnen verdienen, als hij niet ziek zou zijn geweest.

Re-integratie
Zowel de werkgever als de werknemer zijn volgens de Wet verbetering poortwachter verplicht om zich in te spannen voor re-integratie bij ziekte. De tijd die hierin gaat zitten, mag je niet onderschatten. Hier zijn veel partijen bij betrokken: de bedrijfsarts, de arbodienst, de verzekeraar en soms ook een casemanager. Wanneer duidelijk is dat de ziekte langdurig van aard zou kunnen zijn, moet je als werkgever binnen zes weken na de eerste ziektedag van de werknemer een oordeel van de bedrijfsarts of arbodienst vragen over het ziektegeval.

Werkgever en werknemer moeten in gezamenlijk overleg een plan van aanpak maken. Dit plan moet schriftelijk worden vastgelegd en van tijd tot tijd worden geëvalueerd. Bij de aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering moet de werknemer een re-integratieverslag overleggen. Dit is een samenvatting van alle afspraken en activiteiten van de werkgever, de werknemer en de arbodienst en bevat ook medische informatie.

Is de werknemer ruim driekwart jaar ziek, dan moet ook het UWV worden ingeschakeld. Uiterlijk de eerste werkdag na de 42e ziekteweek moet de werkgever bij het UWV aangifte doen van langdurige ziekte. Dit is de 42e-weeksmelding. Het UWV stuurt de werkgever een brief over de (Eerstejaars)evaluatie. Tijdens deze evaluatie moet de werkgever samen met de werknemer bespreken of de aanpak tot nu toe geslaagd is.

Passend werk
Wanneer de werknemer wel arbeid kan verrichten – ook wanneer dat niet zijn normale werkzaamheden zijn – moet de werkgever er alles aan doen om dit mogelijk te maken. Dit kan betekenen dat de werkgever moet zorgen voor een aangepaste werkplek, moet investeren in bij- of omscholing of deskundige adviseurs moet inhuren. Lukt het niet om de werknemer binnen de eigen organisatie te laten re-integreren, dan moet uiterlijk na één jaar ook buiten de poort worden gekeken.

Loonsanctie
Een werknemer die langer dan 104 weken arbeidsongeschikt is, mag een WIA-uitkering aanvragen. Het UWV beoordeelt dan of de re-integratie-inspanningen voldoende zijn geweest. Is dat niet zo, dan kan het UWV een loonsanctie opleggen. Het kan voorkomen dat de bedrijfsarts constateert dat de werknemer geen duurzaam benutbare mogelijkheden meer heeft, en dus niet kan re-integreren. Wanneer de verzekeringsarts van het UWV tot een ander oordeel komt, kan de werkgever toch worden bestraft met een loonsanctie omdat hij zich onvoldoende heeft ingespannen voor de re-integratie.

Vanaf 2021 verandert dit. Het oordeel van de bedrijfsarts wordt dan leidend bij de beoordeling van de re-integratie na 104 weken arbeidsongeschiktheid.

MKB verzuim-ontzorgverzekering
Sinds 1 januari 2020 is er een nieuwe verzekering: de MKB-verzuim-ontzorg-verzekering. Behalve dekking van het financiële risico, moet het product kleine werkgevers helpen bij de verplichtingen en taken rond de loondoorbetaling bij ziekte, inclusief een transparant dienstverleningspakket voor die twee jaar. De verzekering is ‘Poortwachterproof’: volgt de werkgever de adviezen van de verzekeraar, maar komt er toch een loonsanctie, dan hoeft de werkgever die niet te betalen.
Om de verzekeringspremie betaalbaar te maken, ontvangen werkgevers met ingang van 2021 een ‘loondoorbetalingskorting’ op de premieheffing van in totaal 450 miljoen euro.

Bron: SalarisNet

CORONAVIRUS: VERLENGING EN UITBREIDING NOODPAKKET BANEN EN ECONOMIE (16-06-2020)

Ondernemers en werkenden krijgen ook de komende periode financiële ondersteuning vanwege de aanhoudende impact van het coronavirus. Het eerste noodpakket banen en economie loopt door en het kabinet neemt nieuwe uitzonderlijke maatregelen. Dat is nodig, omdat steeds meer zzp’ers, mkb-ondernemers en grootbedrijven langzaam en soms deels weer opstarten, terwijl anderen nog dicht zijn of zonder opdrachten zitten. De kabinetsondersteuning is daarom meer gericht en heeft gewijzigde voorwaarden. Doel is zoveel mogelijk behoud van banen. Daarvoor is nodig dat ondernemers en werkenden zich kunnen aanpassen aan een veranderde Nederlandse samenleving en economie.

De ministers en staatssecretarissen van Economische Zaken en Klimaat (EZK), Financiën en Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) hebben het pakket woensdag aan de Tweede Kamer aangekondigd. Deze maatregelen volgen op het eerste noodpakket (17 maart) en diverse tussentijdse economische regelingen waarmee bijna één op de vijf Nederlandse werkenden inmiddels zijn ondersteund. Honderdduizenden bedrijven hebben inmiddels gebruik gemaakt van één of meerdere regelingen.

De financiële kabinetssteun aan ondernemers en werkenden blijft zeer groot. Toch kunnen niet alle ontslagen en faillissementen worden voorkomen. Ook kan herstel in sommige sectoren lang gaan duren. Het beperken van economische schade is een gedeelde verantwoordelijkheid van samenleving en overheid. De veranderingen die Nederlanders met elkaar moeten doorgaan zijn permanent en ingrijpend. Dit nieuwe noodpakket geeft hen gerichte rugdekking om zich aan te passen in de komende turbulente tijd. Er zijn bedrijven die moeten krimpen of zelfs verdwijnen, maar er ontstaan ook nieuwe kansen.

Alle nieuwe of verlengde regelingen, met eventuele aanpassingen zijn te vinden in de Kamerbrief. Hieronder staan de belangrijkste aankondigingen van het kabinet in het nieuwe noodpakket waarvoor ruim 13 miljard euro is begroot.

Nieuwe regeling: Tegemoetkoming Vaste Lasten MKB
MKB-ondernemers in onder meer de horeca, recreatie, evenementen, kermissen, podia en theaters krijgen – bovenop de tegemoetkoming loonkosten (NOW) – een belastingvrije tegemoetkoming van het ministerie van EZK om hun vaste materiële kosten te kunnen betalen. Bedrijven krijgen afhankelijk van de omvang van het bedrijf, de hoogte van de vaste kosten en de mate van omzetderving (minimaal 30 procent) een tegemoetkoming voor hun vaste lasten tot een maximum van 20.000 euro voor de komende drie maanden. Er is één miljard euro beschikbaar als tegemoetkoming voor deze ondernemingen waar meer dan 800.000 mensen werken. In aanmerking komen de getroffen sectoren uit de TOGS-regeling.

Verlenging en aanpassing regeling tegemoetkoming loonkosten (NOW)
Een ondernemer die minstens 20% omzetverlies verwacht, kan vanaf 6 juli 2020 een tegemoetkoming in de loonkosten aanvragen bij UWV voor juni, juli en augustus. Hierdoor kunnen bedrijven hun personeel doorbetalen. De verlengde NOW-regeling hanteert dezelfde systematiek van tegemoetkoming, maar de nieuwe regeling bevat ook wijzigingen.

De vaste (forfaitaire) opslag wordt verhoogd van 30 naar 40 procent. Daarmee levert de NOW ook een bijdrage aan andere kosten dan de loonkosten. De referentiemaand voor de loonsom wordt maart 2020. Daarnaast wordt in de al lopende NOW-regeling maart ook als uitgangspunt genomen als de loonsom in de maanden maart-mei hoger is dan in januari-maart. Dit is van belang voor seizoensgebonden bedrijven. Verder mag een bedrijf dat gebruik maakt van de NOW over dit jaar geen winstuitkering aan aandeelhouders doen, geen bonussen aan het bestuur en de directie uitkeren en geen eigen aandelen inkopen.

In de NOW 2.0 blijft de correctie op de subsidie bij ontslag bestaan, maar de subsidie wordt niet meer extra verlaagd bij bedrijfseconomisch ontslag. Bedrijven verklaren bij de nieuwe NOW-aanvraag wel dat zij overleggen met vakbonden als zij voor meer dan 20 medewerkers bedrijfseconomisch ontslag willen aanvragen. Dit sluit aan bij de regelgeving rondom collectief ontslag. Ook blijft de wettelijke bescherming bij ontslag gewoon van kracht.

Werkgevers die de NOW aanvragen, worden verplicht om hun werknemers te stimuleren om aan bij- en omscholing te gaan doen. Werkgevers leggen hier bij aanvraag van de NOW 2.0 een verklaring over af. Ter ondersteuning van initiatieven van sociale partners trekt het kabinet daarvoor 50 miljoen euro uit via het crisisprogramma NL leert door waarmee mensen vanaf juli kosteloos online scholing en ontwikkeladviezen kunnen volgen om zich aan te passen aan de nieuwe economische situatie.

Voorwaarden aan verlengde overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (TOZO)
Het kabinet verlengt de versoepelde regeling om zelfstandig ondernemers waaronder zzp’ers te ondersteunen, zodat zij een vergrote kans hebben om hun bedrijf te kunnen voortzetten. Zelfstandigen kunnen bij hun gemeente aanvullende inkomensondersteuning krijgen voor levensonderhoud. Deze vult tot eind augustus 2020 het inkomen aan tot het sociaal minimum en hoeft niet te worden terugbetaald.

De verlengde regeling bevat een partnerinkomenstoets. Dit betekent dat alleen huishoudens met een inkomen onder het sociaal minimum aanspraak kunnen maken op een tegemoetkoming in het levensonderhoud. Op deze manier wordt de ondersteuning voor levensonderhoud gericht op het garanderen van het sociaal minimum op huishoudniveau.

Ondersteuning blijft ook mogelijk in de vorm van een lening (maximaal €10.157) voor bedrijfskapitaal, tegen een verlaagd rentepercentage. Zelfstandig ondernemers wordt in de verlengde regeling gevraagd om te verklaren dat er bij hun bedrijf geen sprake is van surseance van betaling of dat het bedrijf in een staat van faillissement verkeert.

Voor ontslagen flexwerkers die niet voldoen aan de voorwaarden voor WW of bijstand werkt het kabinet op verzoek van de Tweede Kamer aan een tijdelijke en uitvoerbare oplossing. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal de Tweede Kamer vandaag hierover apart informeren.

Verlenging belastingmaatregelen
De periode waarin getroffen ondernemers belastinguitstel kunnen aanvragen, is verlengd tot 1 september 2020. Eventuele verzuimboetes voor het niet op tijd betalen, hoeven niet te worden voldaan. De belastingrente en invorderingsrente voor alle belastingmiddelen zijn tot 1 oktober 2020 verlaagd naar 0,01%. Ook andere belastingmaatregelen, zoals een versoepeling van het urencriterium voor zzp’ers en de betaalpauze voor hypotheekverplichtingen, worden tot 1 september 2020 verlengd.

Ondernemers krijgen bij de eerste aanvraag direct drie maanden uitstel van betaling. Voor die drie maanden hoeven ze maar één keer een verzoek in te dienen (voor uitstel van alle belastingsoorten). Ondernemers kunnen ook voor een langere periode dan drie maanden uitstel aanvragen. Daarbij is van belang dat zoveel mogelijk geld dan ook echt in de bedrijven blijft. Om dit extra te waarborgen, moeten ondernemers bij uitstel langer dan drie maanden verklaren dat ze geen dividenden en bonussen uitkeren, of eigen aandelen inkopen.

Coronakredietverlening- en garanties aan ondernemers (BMKB, GO, KKC, COL)
De extra, verruimde of meer toegankelijke kredietverlening en -garanties aan kleine en middelgrote bedrijven, startups en scale-ups uit het eerste noodpakket lopen door. Zo houden of krijgen ook deze bedrijven toegang tot bijvoorbeeld financiering door banken. Het gaat om de coronamodules van de Borgstelling Midden- en Kleinbedrijf-regeling (BMKB) en de Garantie Ondernemingsfinanciering-regeling (GO), de nieuwe Klein Krediet Corona-garantieregeling (KKC) en het verhoogde budget van de SEED Capital-regeling.

De Corona Overbruggingslening (COL) die bijdraagt aan de verbetering van de liquiditeitspositie van innovatieve bedrijven (startups en scale-ups) krijgt vanwege het grote aantal ingediende aanvragen een tweede tranche van 150 miljoen euro.

Waar kunnen ondernemers terecht?

Ondernemers melden zich voor de kredietregelingen bij hun kredietverstrekker, bijvoorbeeld een bank. De regeling tegemoetkoming loonkosten (NOW) loopt via het UWV en ondersteuning zelfstandige ondernemers (TOZO) via de eigen gemeente. Tegemoetkoming Vaste Lasten MKB wordt via RVO opengesteld. Voor belastingmaatregelen kunnen ondernemers terecht bij de Belastingdienst Zakelijk via Belastingdienst.nl/coronavirus.

Bron: Rijksoverheid

ONBELASTE VERGOEDINGEN EN VERSTREKKINGEN IN DE CORONACRISIS (16-06-2020)

Het coronavirus heeft niet alleen gevolgen voor de gezondheid, maar ook voor de economie en de daarbij behorende banen. Veel werknemers werken thuis als gevolg van de ‘lockdown’, waardoor bij werkgevers de vraag opkomt wat aan de werknemers onbelast vergoed of verstrekt kan worden.

Verhoging van de vrije ruimte
De vrije ruimte, die werkgevers hebben om onbelaste vergoedingen te verstrekken, wordt in verband met de coronacrisis voor het jaar 2020 eenmalig verhoogd van 1,7% naar 3% over de eerste € 400.000 van de loonsom. Over het restant is 1,2% van de loonsom vrijgesteld.

Reiskosten
Tussen werkgevers en werknemers zijn vaak afspraken gemaakt over een vaste vergoeding voor de reiskosten woon-werk. Door de coronacrisis wordt zoveel mogelijk thuisgewerkt, waardoor er minder reiskosten zijn. Dit kan meebrengen dat een werkgever de vaste reiskostenvergoeding moet aanpassen of geheel of gedeeltelijk tot het loon moet rekenen. Het kabinet heeft besloten dat thuiswerken geen invloed heeft op de vaste reiskostenvergoeding. Zolang de crisismaatregelen gelden, mag de werkgever uitgaan van het reispatroon waarop de vergoeding is gebaseerd.

ICT-middelen
Tegenwoordig is het niet meer voorstelbaar dat de werknemer thuis werkzaamheden uitvoert zonder gebruik te maken van een laptop (of andere ICT-middelen). Het verstrekken van ICT-middelen is in principe aan te merken als voordeel uit dienstbetrekking en dus als loon wat dient te worden belast bij de werknemer. Echter, in het geval dat ICT-middelen dienen te worden aangeschaft i.v.m. het thuiswerken valt dit mogelijk onder een gerichte vrijstelling. Hierbij is van belang dat de vergoedingen/verstrekkingen naar het redelijk oordeel van de werkgever noodzakelijk moeten zijn voor de behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking. De werknemer is hierbij verplicht tot teruggave van deze voorziening of vergoeding van de restwaarde zodra de voorziening niet meer noodzakelijk is, bijvoorbeeld doordat het niet langer noodzakelijk is om thuis te werken.

Werkplekvoorziening
De werkgever draagt op grond van de Arbeidsomstandighedenwet verantwoordelijkheid voor de thuiswerkplek. Er geldt een gerichte vrijstelling voor het vergoeden, verstrekken en/of ter beschikking stellen van zaken die tot doel hebben de werkomstandigheden van de thuiswerkplek in overeenstemming te brengen met de wet. Denk hierbij aan een bureau, een stoel, verlichting, beeldschermbril, etc. Het moet dan wel zo zijn dat de werknemer geen eigen bijdrage hoeft te betalen en daadwerkelijk thuiswerkt in het kader van de dienstbetrekking.

Suggestie
Voor veel bedrijven zal de verhoging van de vrije ruimte niet toereikend zijn om alle (extra) kosten hieronder te laten vallen, waardoor uiteindelijk een groot deel belast zal worden als loon onder de eindheffing. Dit is wat ons betreft een achterhaald uitgangspunt. Voor de invoering van de werkkostenregeling was het in kader van het thuiswerken mogelijk om als werkgever eens in de vijf jaar een belastingvrije vergoeding van € 1.815 aan de werknemer te verstrekken voor een thuiswerkplek. Wellicht moet deze oude regeling weer van stal gehaald worden, zodat goed werkgeverschap door middel van het bevorderen van een aangename thuiswerkomgeving wordt beloond. Helemaal als thuiswerken de norm wordt bij kantoorbanen.

Bron: Nextens / mr. MJC Veerman en mw R.A.C Zwarthoed, belastingadviseurs bij Contaxus

WAT ZIJN DE FISCALE GEVOLGEN VAN CORONA – EN EEN OPROEP AAN DE BELASTINGDIENST (20-03-2020)

We leven in een bijzondere tijd. Het coronavirus zorgt ervoor dat we allemaal een stap terug moeten doen. De snelheid waarmee we gewend zijn te leven en te ondernemen gaat drastisch naar beneden.

Voor veel ondernemingen betekent dit een onzekere tijd. Bij sommigen is de omzet nagenoeg geheel weggevallen. Zorgen over de toekomst zijn dan reëel. Gelukkig heeft het kabinet al snel een groot noodpakket aan maatregelen afgekondigd om ondernemend Nederland te ondersteunen. Denk onder meer aan een tijdelijke tegemoetkoming in de loonkosten, bijstandsuitkeringen voor ondernemers (zzp’ers) en borgstellingen en kredietverlening voor ondernemingen.

Maar wat kunt u op fiscaal gebied doen om een onderneming door deze moeilijke tijd te helpen? En welke fiscale maatregelen zou de overheid binnenkort eigenlijk ook nog moeten nemen?

Uitstel van belasting

Allereerst kunnen getroffen ondernemers eenvoudiger uitstel van belasting aanvragen. De Belastingdienst stopt de invorderingen dan direct. Dit geldt voor de inkomsten-, vennootschaps-, loon- en omzetbelastingen (btw). Eventuele verzuimboetes voor het niet op tijd betalen hoeven niet te worden betaald. Het is bovendien niet nodig meteen bewijsmateriaal mee te sturen. Daar krijgt de ondernemer langer de tijd voor.

Ook wordt invorderingsrente die normaal gesproken ingaat na het verstrijken van de betalingstermijn tijdelijk verlaagd van 4% naar bijna 0%. Dit geldt voor alle belastingschulden. Tenslotte gaat het tarief van de belastingrente tijdelijk naar bijna 0%. Deze verlaging zal gelden voor alle belastingen waarvoor belastingrente geldt.

Voorlopige aanslagen

Daarnaast kan worden gekeken naar de lopende fiscale verplichtingen. Heeft de onderneming of de ondernemer al een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting of inkomstenbelasting 2020 opgelegd gekregen, dan is het raadzaam deze aan te passen. Met een verzoek aan de fiscus kan dit redelijk snel worden doorgevoerd. Daarmee hoeven de resterende termijnen niet meer te worden voldaan. En gezien de economische situatie is een dergelijke verlaging ook in lijn met de winstverwachting van de onderneming.

Omzetbelasting

Heeft de onderneming te maken met klanten die annuleren? Dan kan de financiële schade hiervan worden beperkt door de BTW over deze opdrachten snel terug te vragen. Wanneer de klant de gehele of gedeeltelijke overeengekomen vergoeding niet hoeft te betalen dan is het raadzaam hiervoor direct een creditfactuur uit te reiken. Zo kan de eerder in rekening gebrachte BTW snel worden gecompenseerd. Kijk ook goed naar oninbare vorderingen. Onder voorwaarden kan de BTW hierover ook worden teruggevraagd.

Wat moet er nu nog gebeuren?

Ten slotte wil ik nog even stilstaan bij een aantal maatregelen die volgens mij (op termijn) ook moeten worden genomen.

Het urencriterium en gebruikelijk loon

Veel IB-ondernemers maken nu minder uren. Zij lopen het risico in 2020 het urencriterium van 1225 uur niet te halen waardoor zij geen aanspraak kunnen maken op zelfstandigenaftrek. Ik stel voor dit urencriterium naar rato te verlagen met de periode dat deze crisis duurt.

Daarnaast moet worden gekeken naar de regeling voor het gebruikelijk loon. Ondanks economische slecht weer is een DGA in principe verplicht minimaal € 46.000,- als salaris uit zijn vennootschap op te nemen. Het moge duidelijk zijn dat het opnemen van salaris in deze tijden voor sommige ondernemers eerder een utopie lijkt. Laten we dan ook soepel omgaan met deze regeling voor bedrijven die als gevolg van de coronacrisis veel omzet verliezen.

Oproep aan de Belastingdienst

Als laatste een algemene oproep aan onze Belastingdienst en de daarbij horende twee Staatssecretarissen.

Ik weet dat jullie eigenlijk al tot over jullie oren in het werk zitten. Maar probeer ondernemingen in deze moeilijke tijden (en zeker ook daarna) te ondersteunen. Bijvoorbeeld door snel een voorlopige verliesbeschikking over 2020 af te geven waardoor verliesverrekening met 2019 op gang kan komen. Of door niet hardvochtig vast te houden aan regels maar samen te kijken hoe een onderneming verder kan worden geholpen. Het is ook niet in jullie belang dat ondernemingen failliet gaan. We moeten ons allemaal realiseren dat dit noodpakket zeker niet voldoende zal zijn. De economische gevolgen van deze crisis zullen nog lang voelbaar blijven. Net zoals bij eerdere crises vallen veel ondernemingen pas na enig tijd om. Dus niet na twee maanden maar wel na acht maanden doordat het nog lange tijd zal duren voor de economie weer echt op gang komt. Laten we ons dat realiseren en de coulante fiscale maatregelen die nu worden genomen voor langere tijd beschikbaar houden.

Bron: Nextens

OVERZICHT PAKKET KABINETSMAATREGELEN VOOR BANEN EN ECONOMIE (20-03-2020)

De ministers en staatssecretarissen van Economische Zaken en Klimaat (EZK), Financiën en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) hebben het pakket dinsdag aan de Tweede Kamer aangekondigd bovenop economische maatregelen die donderdag 12 maart al zijn genomen vanuit het kabinet.

Het kabinet volgt de situatie nauwgezet en heeft daarover steeds contact met ondernemersorganisaties, sociale partners en banken. Gezonde overheidsfinanciën en begrotingsafspraken zorgen er voor dat het kabinet als gevolg van dit pakket niet meteen hoeft te bezuinigen. Er wordt gekozen om de staatsschuld te laten oplopen, dat kan, omdat in goede tijden de schuld naar beneden is gebracht.

De maatregelen:

1. Instellen tijdelijke regeling tegemoetkoming loonkosten (ministerie van SZW)

Een ondernemer die omzetverlies verwacht (minimaal 20%) kan bij het UWV voor een periode van drie maanden een tegemoetkoming in de loonkosten aanvragen (maximaal 90% van de loonsom, afhankelijk van het omzetverlies). UWV zal een voorschot verstrekken van 80% van de gevraagde tegemoetkoming. Hierdoor kunnen bedrijven hun personeel blijven doorbetalen. Voorwaarde is dat er geen personeel ontslagen mag worden om bedrijfseconomische redenen in de subsidieperiode. Deze Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkbehoud (NOW) wordt zo spoedig mogelijk opengesteld en is de vervanger van de huidige regeling werktijdverkorting. Hiervoor kunnen bij SZW per direct geen nieuwe aanvragen meer voor worden ingediend. Aanvragen die al zijn gedaan, maar nog niet afgehandeld, zullen worden afgehandeld in de nieuwe regeling. Ondernemers kunnen de tegemoetkoming aanvragen voor een omzetdaling vanaf 1 maart.

2. Extra ondersteuning zelfstandig ondernemers (ministerie van SZW en gemeenten)

Het kabinet stelt een tijdelijke, versoepelde regeling in om zelfstandig ondernemers, waaronder zzp’ers, te ondersteunen zodat zij hun bedrijf kunnen voortzetten. De regeling wordt uitgevoerd door gemeenten. Zelfstandigen kunnen voor een periode van drie maanden, via een versnelde procedure, aanvullende inkomensondersteuning krijgen voor levensonderhoud. Deze vult het inkomen aan tot het sociaal minimum en hoeft niet worden terugbetaald. Er is in deze tijdelijke bijstandsregeling voor zelfstandig ondernemers geen sprake van een vermogens- of partnertoets. Ondersteuning volgens deze tijdelijke regeling is ook mogelijk in de vorm van een lening voor bedrijfskapitaal, tegen een verlaagd rentepercentage.

3. Versoepeling uitstel van betaling belasting en verlaging boetes (Belastingdienst)

Getroffen ondernemers kunnen eenvoudiger uitstel van belasting aanvragen. De Belastingdienst stopt de invorderingen dan direct. Dit geldt voor de inkomsten-, vennootschaps-, loon- en omzetbelastingen (btw). Eventuele verzuimboetes voor het niet op tijd betalen, hoeven niet te worden betaald. Het is bovendien niet nodig meteen bewijsmateriaal mee te sturen. Daar krijgt de ondernemer langer de tijd voor. De invorderingsrente die normaal gesproken ingaat na het verstrijken van de betalingstermijn wordt tijdelijk verlaagd van 4% naar bijna 0%. Dit geldt voor alle belastingschulden. Ook het tarief van de belastingrente gaat tijdelijk naar bijna 0%. Deze verlaging zal gelden voor alle belastingen waarvoor belastingrente geldt. Het kabinet zal de belastingrente zo snel mogelijk aanpassen.

4. Verruiming regeling Garantie Ondernemersfinanciering (ministerie van EZK)

Ondernemingen die problemen ondervinden bij het verkrijgen van bankleningen en bankgaranties kunnen gebruik maken van de Garantie Ondernemersfinanciering-regeling (GO). Het kabinet stelt voor het garantieplafond van de GO te verhogen van 400 miljoen naar 1,5 miljard euro. Met de GO helpt EZK zowel het MKB als grote ondernemingen door middel van een 50% garantie op bankleningen en bankgaranties, (minimaal 1,5 miljoen – maximaal 50 miljoen euro per onderneming). Het maximum per onderneming wordt tijdelijk verruimd naar 150 miljoen euro. Het Kabinet committeert zich om alle garantieruimte te verstrekken die nodig is.

5. Rentekorting kleine ondernemers op microkredieten Qredits (ministerie van EZK)

Microkredietenverstrekker Qredits financiert en coacht een grote groep kleine en startende ondernemers, die via de bank vaak moeilijk aan financiering komen. Te denken valt aan ondernemers in de horeca, detailhandel, persoonlijke verzorging, de bouw en zakelijke dienstverlening. Qredits stelt een tijdelijke crisismaatregel open: voor kleine ondernemers die geraakt worden door de coronaproblematiek wordt uitstel van aflossing aangeboden voor de duur van zes maanden en de rente gedurende deze periode automatisch verlaagd naar 2%.. Het kabinet ondersteunt Qredits voor deze maatregel met maximaal 6 miljoen euro.

6. Tijdelijk borgstelling voor land- en tuinbouwbedrijven (ministerie van LNV)

Voor de land- en tuinbouwbedrijven komt er een tijdelijke borgstelling voor werkkapitaal onder de regeling Borgstelling MKB-Landbouwkredieten (BL). Daarmee staat het kabinet borg voor de kredieten van agrarisch ondernemers. De aangepaste BL-regeling zal met ingang van 18 maart 2020 gelden.

7. Overleggen over toeristenbelasting (Rijk/gemeenten) en cultuursector

Het kabinet gaat in overleg met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) over de mogelijkheid om (voorlopige) lokale aanslagen aan ondernemers stop te zetten en al opgelegde aanslagen aan bedrijven in te trekken. Het gaat hierbij in het bijzonder om de toeristenbelasting. Ook is het Rijk met de cultuursector in overleg om te kunnen aansluiten bij generieke maatregelen en eventuele verbijzondering indien dat nodig is.

8. Compensatieregeling getroffen sectoren (ministerie van EZK)

De gezondheidsmaatregelen van het kabinet hebben enorme consequenties voor de inkomsten in een aantal sectoren in het bijzonder. Zoals bijvoorbeeld de (verplichte) sluiting van eet- en drinkgelegenheden en annuleringen in de reisbranche. Deze inkomsten kunnen bovendien moeilijk worden ingehaald wanneer het coronavirus achter de rug is. Het kabinet komt daarom met een compensatieregeling met passende maatregelen voor bedrijven in de genoemde sectoren. Deze wordt nu uitgewerkt en met spoed voorgelegd aan de Europese Commissie voor de beoordeling op (geoorloofde) staatssteun.

Waar kunnen ondernemers terecht?

Banken kunnen aanmeldingen voor de verruimde kredietregelingen (BMKB en GO) bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland doen, de uitvoeringsorganisatie van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Ondernemers melden zich hiervoor bij hun kredietverstrekker. Voor de belastingmaatregelen kunnen ondernemers terecht bij de Belastingdienst Zakelijk via Belastingdienst.nl/coronavirus. De regelingen van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden zo spoedig mogelijk opengesteld.

Bron; Rijksoverheid

SNEL EXTRA FINANCIËLE STEUN VOOR ONDERNEMERS (17-03-2020)

De verruimde borgstelling midden- en kleinbedrijf (BMKB)-regeling gaat versneld open. Staatssecretaris Mona Keijzer (Economische Zaken en Klimaat) heeft vandaag besloten dat ondernemers zich al kunnen aanmelden. De regeling is operationeel vanaf maandag 16 maart 2020 en maakt onderdeel uit van een eerder aangekondigd pakket aan maatregelen van het kabinet om de economische gevolgen van het coronavirus op te vangen.

Eerste stap
Het kabinet schat in dat met deze eerste stap al direct 300 miljoen euro aan extra financiering ter beschikking wordt gesteld aan mkb-bedrijven die getroffen worden door de coronaproblematiek. Daarnaast kunnen ondernemers werktijdverkorting aanvragen (regeling ministerie van SZW) en uitstel van betaling/verlaging voorlopige aanslag van belastingen aanvragen bij de Belastingdienst. ZZP’ers kunnen een beroep doen op het Besluit Bijstandsverlening Zelfstandigen.

De regels rondom werktijdverkorting zullen naar alle waarschijnlijk worden verruimd. Ook wordt gevraagd om bedrijven sneller toegang te geven tot de regeling werktijdverkorting, die inmiddels al door 30.000 bedrijven is aangevraagd voor een kleine half miljoen werknemers. Voor de niet-gewerkte uren krijgen werknemers een ww-uitkering.

Verruiming BMKB-regeling
Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat staat via de BMKB borg voor de kredieten aan ondernemers, zodat zij makkelijker geld kunnen lenen. Ondernemers kunnen hiervoor terecht bij kredietverstrekkers, zoals banken. In de reguliere regeling betreft het borgstellingskrediet 50% van het krediet dat de financier, vaak een bank, verstrekt. De borg van de overheid bedraagt 90% van dit borgstellingskrediet.

Met deze verruimingsmaatregel wordt de omvang van het borgstellingskrediet in de BMKB verhoogd van 50% naar 75%. Daardoor kunnen banken makkelijker en sneller krediet verruimen en hebben bedrijven de mogelijkheid om eerder en meer geld te lenen. Bovendien zal de regeling ook toepasbaar zijn op overbruggingskredieten en rekening-courantkredieten met een looptijd tot 2 jaar.

Aanmelden en informatie
Banken kunnen aanmeldingen voor de verruimde BMKB bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) doen, de uitvoeringsorganisatie van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Ondernemers melden zich bij hun kredietverstrekker.

Bij vragen over het coronavirus kunnen werkgevers en ondernemen terecht op de pagina Veel gestelde vragen over het coronavirus voor werkgevers en ondernemers op Rijksoverheid.nl/coronavirus.

Bron: Rijksoverheid / FD

BETALINGSPROBLEMEN DOOR CORONAVIRUS? UITSTEL VAN BETALING MOGELIJK VOOR ONDERNEMERS INCLUSIEF ZZP’ERS (17-03-2020)

Om de gevolgen van het coronavirus voor ondernemers te verzachten, neemt de Belastingdienst maatregelen. Bent u ondernemer of zzp’er en hebt u betalingsproblemen door het coronavirus? Dan kunt u de Belastingdienst vragen om bijzonder uitstel van betaling. Ook kunt u uw te betalen voorlopige aanslag aanpassen.

Hoe vraagt u uitstel aan?
U kunt voor alle aanslagen inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, omzetbelasting/btw en loonbelasting bijzonder uitstel van betaling aanvragen.

Stuur daarvoor een brief aan de Belastingdienst. In de brief vraagt u om uitstel van betaling en legt u uit hoe u door de uitbraak van corona in betalingsproblemen bent gekomen. De invorderingsmaatregelen worden dan gestopt.

U leest verderop welke overige voorwaarden hier voor gelden. Een boete voor niet op tijd betalen van btw of loonbelasting hoeft u niet te betalen.

Verlaging van uw voorlopige aanslag
Verwacht u een lagere winst door de uitbraak van corona en betaalt u nu een voorlopige aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting? Dan kunt u uw voorlopige aanslag wijzigen, zodat u direct minder belasting betaalt. Verlaag daarvoor uw inkomsten.

Voor de inkomstenbelasting wijzigt u de voorlopige aanslag via Mijn Belastingdienst. Voor de vennootschapsbelasting doet u dat via Mijn Belastingdienst Zakelijk.

Overige voorwaarden aanvraag uitstel van betaling
Bij de brief waarin u uitstel van betaling aanvraagt, vragen wij u om een verklaring van een derde deskundige.

Uit die verklaring blijkt dat:
•Er sprake is van bestaande betalingsproblemen en bijvoorbeeld geen nog te verwachten betalingsproblemen.
•Uw betalingsproblemen van tijdelijke aard zijn als gevolg van het coronavirus.
•Uw onderneming levensvatbaar is.

Een derde deskundige is bijvoorbeeld:
•Een externe consultant.
•Een externe financier.
•Een brancheorganisatie.
•Uw eigen accountant of financieel adviseur.

Stuur uw verzoek om uitstel met motivering en de verklaring van de deskundige naar:

Belastingdienst
Postbus 100
6400 AC Heerlen

Bron: Belastingdienst

WEDEROM KRITIEK OP FISCUS VANWEGE E-HERKENNING (07-02-2020)

Ondernemers met een besloten vennootschap zijn niet blij met de nieuwe verplichte E-herkenning voor de aangifte bij de Belastingdienst. Voorheen konden ze gratis via de website aangifte doen waar ze nu extra kosten maken, aldus de ondernemers. Het systeem moet nog worden goedgekeurd door de Tweede Kamer.

Dienstverlening
Ondertussen ontvingen al 120.000 ondernemers met een BV een brief met bericht over de nieuwe manier van aangifte doen. Politiek gezien ligt weer een issue bij de fiscus gevoelig. Het inloggen via E-herkenning kan sinds 1 januari. Daarvoor moet een account aangemaakt worden bij een commerciële aanbieder, kosten bedragen tussen de 45 en 50 euro per jaar. Zonder de account kan geen aangifte worden gedaan, dat schrijft NOS.

E-herkenning is een communicatiesysteem waar verschillende overheidsdiensten al mee werken. Het wordt bijvoorbeeld gebruikt voor het aanvragen van vergunningen. Ondernemers kunnen via E-herkenning communiceren met de overheid. Het gaat dus om een dienstverlening. Logisch dus dat er kosten aan verbonden zijn, aldus het ministerie van Financiën.

Principieel onjuist
Oud-hoogleraar belastingrecht Zwemmer van de universiteit van Amsterdam noemt het van de gekke en spreekt van machtsmisbruik door de Belastingdienst. Bovendien is het systeem onwettig omdat het nog niet is goedgekeurd door de Tweede Kamer. Ook stichtingen, goede doelen en organisaties moeten gebruik gaan maken van het systeem.

Het gekke is volgens Zwemmer dat een ondernemer een commerciële partij in de arm moet nemen om aangifte te doen. “Het is principieel onjuist, dat het geld kost om aan je fiscale verplichtingen te doen.”

Geen wettelijke basis
De regeringspartijen ChristenUnie, CDA, VVD en D66 zijn wederom niet blij de Belastingdienst. CDA-Kamerlid Pieter Omtzigt, alom geprezen voor zijn inzet bij de toeslagenaffaire, zegt ook niet te weten op basis van welke wet de fiscus nu geld vraagt voor het doen van aangifte.

Daarbij is oor partijen als kerkgenootschappen, opgeheven bedrijven en bedrijven uit het buitenland die hier mensen in dienst hebben onmogelijk om E-herkenning aan te vragen. Er is wel begrip in de Kamer voor het feit dat de digitale communicatie beter wordt beveiligd maar er zijn een hoop vragen, aldus NOS.

In een reactie geeft het ministerie van Financiën aan dat de fiscus zich moet houden aan de privacyregels en dat gegevens adequaat moeten worden beveiligd. E-herkenning is daar een middel voor. De fiscus is een van de eerste overheidsdiensten die het middel gaat gebruiken en heeft daarom nu al aan veel ondernemers gevraagd om het aan te schaffen, aldus het ministerie.

Bron: NOS

VATTENFALL: ‘NEDERLAND MOET ENERGIEBELASTING AFSCHAFFEN’ (07-02-2020)

“Nederland moet de energiebelasting afschaffen of drastisch ombouwen”, vindt Martijn Hagens, de onlangs aangetreden topman van Vattenfall Nederland. Stijgende prijzen ondermijnen het draagvlak voor de overgang naar duurzame energie. “Consumenten zien vooral hoe hun rekening steeds hoger is geworden”, zegt Hagens tegen het FD.

Opbrengsten niet voor energietransitie
“De energiebelasting is ooit ingevoerd om energie duurder te maken en mensen zo te stimuleren energie te besparen. De opbrengsten worden echter niet gebruikt voor de energietransitie, maar vloeien naar de algemene middelen. Bovendien heft de overheid over de te betalen energiebelasting ook nog eens btw. Helpt de overheid zo de consument, of wordt hiermee de staatskas gespekt? Schaf die belasting dan af!”

‘Opslag Duurzame Energie’
Hagens ziet ook wel dat dit niet zo simpel is, maar stelt dat het wel mogelijk is. “Dat heeft te maken met EU-regelgeving, dat voorschrijft dat elk land een vorm van energiebelasting moet heffen. In onze ogen zou dat de ‘Opslag Duurzame Energie’ moeten zijn. Dit is een toeslag die elke klant betaalt en waarvan subsidies worden bekostigd. Dat doet zijn werk voor de energietransitie. Bouw dus de energiebelasting verstandig af om de stijgende ODE en netkosten te compenseren. Gebruik resterende inkomsten om de energietransitie thuis te stimuleren. Bijvoorbeeld met subsidies voor warmtepompen, HR++ glas of een aansluiting op een duurzaam warmtenet.”

Net loopt tegen zijn grenzen aan
De overgang naar elektriciteit uit zon en wind gaat zo snel dat het huidige systeem tegen zijn grenzen aanloopt. “Daarom opperde branchevereniging Netbeheer Nederland eind november dat ook producenten van groene energie gaan meebetalen aan het gebruik van infrastructuur. Ergens gaat er dan toch iets mis. Netbeheerders lopen achter met de uitbreiding en roepen op tot een producententarief. Ook voor consumenten met zonnepanelen op hun huis. Die moeten gaan betalen voor het leveren van groene stroom aan het net. Zo worden we bestraft, terwijl we miljarden investeren in groene elektriciteitsproductie.”

Nieuwe capaciteit moet prioriteit zijn
De topman ziet wel een oplossing. “Tijdig opleveren van aansluitingen voor nieuwe duurzame capaciteit zou de onverdeelde aandacht van netbeheerders moeten hebben. Een vol stroomnet remt namelijk economische groei. Doordat we laadmomenten van auto’s anders timen, bijvoorbeeld door sneller te laden als er veel zonnestroom op het net komt, kunnen we drukte op het stroomnet voorkomen. Dat doen we al in Amsterdam.”

Bron: FD

MENINGEN ZIJN VERDEELD OVER BTW-VRIJSTELLING (16-01-2020)

De meningen over de btw-vrijstelling blijven verdeeld. De Belastingdienst is tevreden over het aantal aanmeldingen voor de vrijstelling, maar volgens belangenorganisaties heeft de nieuwe regeling een afschrikkende werking. De regeling zou te ingewikkeld zijn, schrijft het Financieel Dagblad.

Ruim 130.000 aanmeldingen
Meer dan 130.000 ondernemers hebben een aanvraag ingediend voor de gewijzigde kleineondernemersregeling (KOR), die met ingang van 1 januari geldt. Net als in voorgaande jaren kunnen ze een volledige of gedeeltelijke vrijstelling krijgen voor de btw-afdracht als hun jaaromzet minder dan 20.000 euro is. De belangrijkste wijziging is dat ze zich van tevoren moeten aanmelden en daar drie jaar aan vastzitten.

Regeling is te ingewikkeld
Het FD schrijft dat belangenorganisaties twijfelen over de regeling. Maarten Post van ZZP Nederland vindt de nieuwe regeling ingewikkeld en minder flexibel dan de oude vrijstelling, die achteraf kon worden aangevraagd. Dat zou een afschrikkende werking hebben voor mensen met weinig inzicht of interesse in boekhouden. Margreet Drijvers van het Platform Zelfstandige Ondernemers noemt de termijn van drie jaar een mogelijke drempel.

MKB Nederland verwijst naar de vermelding van de btw op facturen. Ondernemers die gebruik maken van de regeling, hoeven geen btw meer in rekening te brengen bij hun klanten. Volgens de organisatie willen ondernemers dat liever niet. Het weglaten van de btw is een signaal aan klanten dat ze te maken hebben met een kleine ondernemer, schrijft het FD.

Aanmeldingen lager dan verwacht
Belangenorganisatie ONL voor ondernemers is net als de Belastingdienst wel positief over de aanmeldingen. Met 130.000 is het aantal aanvragen lager dan de verwachte 200.000, maar veel ondernemers kregen pas laat in de gaten dat de regeling veranderde. Het aantal aanmeldingen laat zien dat veel kleine ondernemers zich liever niet met de btw bezig willen houden, vindt ONL.

Vrijstelling aanvragen blijft mogelijk

De vrijstelling geldt met ingang van 1 januari voor 108.000 van de 130.000 aanvragers. De overige 22.000 kunnen er per 1 april gebruik van maken. Het is nog altijd mogelijk om een aanvraag in te dienen voor het volgende btw-kwartaal. Het Platform Zelfstandige Ondernemers sluit niet uit dat er meer aanvragen komen. ZZP Nederland verwacht dat ondernemers juist afhaken, schrijft het FD.

Bron: FD

CONTROLE OP ANBI-STATUS SCHIET TEKORT (16-01-2020)

Organisaties met de status van Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI) voldoen vaak niet aan de eisen voor belastingvoordelen. Dat wordt echter nauwelijks gecontroleerd door de Belastingdienst. Dat schrijft dagblad Trouw op basis van een onderzoek door Investico en Pointer, twee platformen voor onderzoeks- en datajournalistiek.

Jaarcijfers worden niet gepubliceerd
Organisaties met een ANBI-status zijn verplicht om hun jaarcijfers online te publiceren. Twee maanden na de deadline had bijna de helft van de onderzochte organisaties de cijfers voor 2018 nog niet gepubliceerd. Van een derde waren ontbraken ook de cijfers voor 2017. Van honderden organisaties is de website zelfs niet bereikbaar, schrijft Trouw. De krant gaf samen met opinieblad de Groene Amsterdammer en radioprogramma Reporter Radio opdracht voor het onderzoek.

Duidelijke definitie ontbreekt
De organisaties moeten daarnaast het algemeen nut dienen. Negentig procent van alle uitgaven moeten daarop gericht zijn. De term algemeen nut is in de wet echter niet duidelijk omschreven en leidt voortdurend tot discussie. De politiek zou meer moeten debatteren over wie ervoor in aanmerking komt, zegt Sigrid Hemels, hoogleraar belastingrecht aan de Erasmus Universiteit in Trouw.

Het gebrek aan de duidelijke definitie heeft geleid tot een grote verscheidenheid aan ANBI’s in Nederland. Van honderden hulporganisaties voor straatkinderen en tienermoeders tot stichtingen voor klassieke zangavonden en Indiase dans. Organisaties voor integratie en een harmonieuze samenleving en vooral veel kerken, schrijft Trouw. In totaal gaat het om ruim 43.000 organisaties.

Samenwerking voor controle
De Belastingdienst kwam in 2016 ook tot de conclusie dat het toezicht op ANBI’s beter kan, maar de organisatie heeft maar 45 medewerkers voor die taak. Voor de controle wordt daarom samengewerkt met andere instanties. Voor toezicht op kerkelijke organisaties is dat het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken (Cio) en voor goede doelen is dat het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF).

Het CBF informeert de fiscus over de erkenning van organisaties voor goede doelen en ook op het moment dat de CBF-erkenning om een of andere reden wordt geweigerd of ingetrokken. Het CBF en de Belastingdienst hebben een eigen bevoegdheid op dit vlak, maar een intrekking of afwijzing is voor de fiscus wel een signaal voor een controle van een instelling.

Bron: TROUW

HEEFT DE MIDDELINGSREGELING NOG TOEKOMST? (09-12-2019)

Half december 2018 verscheen de evaluatie van de middelingsregeling op de website van de Rijksoverheid. De regeling kan niet onveranderd blijven bestaan, luidde de conclusie. Afschaffen, aanpassen en/of de regeling meer onder de aandacht brengen, luidde de beleidsopties. Daarna volgde een radiostilte. Met Prinsjesdag werd over de middelingsregeling niet gerept. De vraag dringt zich op: wat gaat er gebeuren? Heeft de middelingsregeling nog toekomst?

Middeling
De middelingsregeling bestaat sinds 1964 en biedt een faciliteit, waarmee het progressienadeel van sterk wisselende inkomens kan worden gecompenseerd. De regeling maakt het mogelijk om over drie jaren geheven inkomstenbelasting te herrekenen op basis van het gemiddelde inkomen. “Afgestudeerden die net op de arbeidsmarkt komen of gepensioneerden hebben bij uitstek het profiel, waarvoor de middelingsregeling interessant kan zijn. Maar denk bijvoorbeeld ook aan iemand met een gemiddeld inkomen die een ontslagvergoeding ontvangt”, aldus Samad Laghmouchi, advocaat en belastingkundige bij Laghmouchi Law.

Benutting middeling laag

Jaarlijks maken circa 50.000 belastingplichtigen gebruik van de middelingsregeling. Gemiddeld maken elk jaar iets meer niet-ondernemers dan ondernemers gebruik van de regeling. De benutting van de middelingsregeling is laag concludeert het rapport. 85 procent van de belastingplichtigen die recht hebben op teruggave, maakt hier geen gebruik van. Laghmouchi ziet dat het in zijn praktijk wel wordt toegepast, maar ook zijn ervaring is dat de regeling vaker gebruikt kan worden.

Afschaffing van middeling
Eén van de beleidsopties waar Staatssecretaris van Financiën Menno Snel over spreekt is afschaffing. “Het argument om de regeling af te schaffen, omdat deze te weinig gebruikt wordt, vind ik niet valide. Dat zou wel een hele makkelijke oplossing zijn voor heel veel fiscale regelingen. Je zou eigenlijk moeten kijken waarom het zo weinig gebruikt wordt. Een van de redenen is volgens mij, omdat het voor veel mensen een wat lastige regeling is om te begrijpen. Zou het niet wat eenvoudiger kunnen?”

Regeling vereenvoudigen
De vereenvoudiging van de regeling is een andere beleidsoptie. Hiertoe is begin 2019 al een applicatie geïntroduceerd die de toepassing en de uitvoering van de regeling makkelijker moet maken. Deze applicatie is echter niet breed bekendgemaakt. “Je zou burgers meer moeten informeren over deze applicatie en de mogelijkheden die de middelingsregeling biedt. Daarnaast zou er gekeken kunnen worden naar het drempelbedrag. In plaats van dit bedrag te indexeren of verhogen, zou ik zeggen: schaf het af. De drempel van 545 euro klinkt weinig, maar zou voor werknemers met een laag inkomen toch interessant kunnen zijn.”

Snel vermeldt in de rapportage dat het verwerken van de middelingsverzoeken nu al relatief bewerkelijk is. Het gebeurt namelijk ook nog handmatig. Krijgt de fiscus het niet nóg drukker als het drempelbedrag verdwijnt? “Dat zou kunnen. Maar blijkbaar heeft de fiscus het minder druk dan verwacht, want de staatssecretaris zegt niet voor niets dat de regeling weinig gebruikt wordt. Dus kennelijk houden ze er al rekening mee dat meer mensen er gebruik van kunnen maken.”
Sprake van maatschappelijk aanvaardbaar progressienadeel?

De staatssecretaris meldt dat hij uit parlementaire stukken niet kan opmaken in welke gevallen een progressienadeel maatschappelijk aanvaardbaar is en in welke gevallen compensatie via middeling redelijk is. Hij stelt de vraag of starters en stoppers, naast collectieve sociale zekerheid, pensioenregelingen en verliesverrekening, fiscale compensatie nodig hebben voor het progressienadeel waar zij zelf invloed op hebben. Bij ondernemers worden inkomensschommelingen vaker veroorzaakt door externe factoren, maar voor hen zijn er ook andere mogelijkheden om deze schommelingen op te vangen. Denk hierbij aan het vormen van reserves of voorzieningen, verliescompensatie of willekeurige afschrijving.

“De redenering dat zelfstandigen (en werknemers) andere fiscale faciliteiten hebben lijkt kort door de bocht. De fiscale voordeeltjes die de staatssecretaris noemt, hebben allemaal een hele andere doelstelling dan de middelingsregeling. Een reserve gebruik je om investeringen te kunnen doen. De verliesverrekening kun je alleen gebruiken als je ook daadwerkelijk verlies geleden hebt. Terwijl de middelingsregeling juist bedoeld is voor positieve inkomens die progressienadeel ondervinden.”

Tweeschijvenstelsel
In 2021 gaat er een tweeschijvenstelsel gelden, waarbij het tariefverschil tussen de huidige eerste en tweede schijf verdwijnt en het tariefverschil tussen de huidige derde en vierde schijf juist oploopt. Hierdoor zullen alleen mensen met een inkomen dat incidenteel in het toptarief valt en sommige AOW-gerechtigden gebruik kunnen maken van de middelingsregeling, stelt Snel. Het aantal potentiële gebruikers zal volgens het rapport dan met ongeveer 60 procent dalen. Ook dit wordt als reden genoemd om eventueel afscheid te nemen van de regeling. Snel verwacht dat afschaffing ook zal zorgen tot vereenvoudiging van het belastingstelsel.

“Dat de aanstaande tweeschijvenstelsel ertoe zal leiden dat vooral de relatief hogere inkomensgenieters van de middelingsregeling profiteren is duidelijk. Tegelijkertijd worden andere regelingen voor de hogere inkomensgroepen versoberd. Ik heb het dan onder andere over de hypotheekrenteaftrek. Bovendien betekent het tweeschijvenstelsel ook dat de lagere inkomensgroepen potentieel ooit van de middelingsregeling kunnen profiteren. Immers, ook lage inkomensgroepen kunnen, bijvoorbeeld bij een ontslagronde of een carrièreswitch, in een situatie terechtkomen, waarbij de middelingsregeling daadwerkelijk profijt oplevert. Bovendien zie ik een eventuele afschaffing van de middelingsregeling als een druppel op de gloeiende plaat als het gaat om een vereenvoudiging van het belastingstelsel.”

‘Middeling zal voorlopig nog blijven bestaan’
Er is sinds de evaluatie in 2018 nog geen opvolging geweest. “De verwachting is wel dat er nog voorstellen zullen komen. Ik vraag mij wel af op welke termijn. Het is een lange tijd stil gebleven en ook op Prinsjesdag is er niets over gezegd. Voorlopig blijft de middelingsregeling dus wel bestaan. Zeker ook omdat er recent een nieuwe applicatie is gelanceerd die het gebruik moet bevorderen. We moeten het maar in de gaten houden.”

Bron: Nextens

AIRBNB NOOPT WETGEVER TOT UPDATEN INKOMSTENBELASTING (09-12-2019)

De Wet Inkomstenbelasting (IB) bepaalt hoe de heffing plaatsvindt bij tijdelijke verhuur van de eigen woning. Het is bedoeld om het inkomen bij tijdelijke verhuur van de eigen woning in het geval van vakantie of uitzending te belasten, zonder dat de eigen woning uit box 1 verdwijnt. Ten tijde van het ontstaan van deze wet bestond het fenomeen Airbnb nog niet. Aangenomen werd dat voordelen uit het tijdelijk ter beschikking stellen van de eigen woning via Airbnb onder artikel 3.113 Wet IB viel, en de voordelen voor 70% in de heffing werden betrokken.

B&B
Indien sprake is van meer dan bijkomstige werkzaamheden, zoals het onderhouden van contact met toeristische instanties, het verzorgen van ontbijt en/of diner en het verstrekken van linnengoed, kan sprake zijn van resultaat uit overige werkzaamheden of van winst uit onderneming. In dat geval valt het gehele voordeel in de belastingheffing in box 1.

Jurisprudentie
In de afgelopen 1,5 jaar zijn er drie uitspraken geweest, waarin ter discussie stond hoe om te gaan met de inkomsten uit Airbnb indien sprake is van gedeeltelijke verhuur van de eigen woning. In alle uitspraken is geoordeeld dat niet voldaan wordt aan de eisen van artikel 3.113 Wet IB, en de inkomsten niet als inkomsten uit eigen woning aangegeven dienen te worden in de aangifte inkomstenbelasting. Volgens de rechtbank en het Hof ziet artikel 3.113 Wet IB 2001 op de tijdelijke verhuur van de gehele eigen woning en dus niet op gedeeltelijke verhuur.

Rechtbank Noord-Holland oordeelde in twee uitspraken dat het tijdelijk verhuurde deel van de eigen woning wel voldoet aan de eisen van de eigen woning en derhalve niet in box 3 verantwoord dient te worden. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat de aanhorigheid van de eigen woning, welke voor 21 dagen per jaar via Airbnb is verhuurd, tot de grondslag voor sparen en beleggen behoort en in box 3 belast is.

Verschillende situaties
Er zijn een aantal situaties denkbaar waarin de eigen woning wordt verhuurd via Airbnb:
1.De gehele eigen woning wordt tijdelijk verhuurd.
2.Een deel/aanhorigheid van de eigen woning wordt tijdelijk verhuurd.
3.De gehele of een gedeelte van de eigen woning wordt verhuurd, waarbij tevens meer dan bijkomstige werkzaamheden worden verricht door belastingplichtige.

Het moge duidelijk zijn dat de Belastingdienst de inkomsten uit Airbnb in de belastingheffing wenst te betrekken. Uit recente rechtbankuitspraken blijkt dat er gevallen zijn waarbij de inkomsten onbelast genoten kunnen worden. Het wachten is op de uitspraak van de Hoge Raad, die beslist of de gedeeltelijke verhuur van de eigen woning onder de reikwijdte van artikel 3.113 Wet IB valt of niet. Indien dit niet het geval is, is de wet niet bestand tegen de huidige marktomstandigheden en wordt een wetswijziging verwacht, zodat ook de tijdelijke verhuur van een gedeelte van de eigen woning in de heffing wordt betrokken.

Wetswijziging
Ik pleit voor een wetswijziging, waarbij tijdelijke verhuur van (een aanhorigheid van) de eigen woning in alle gevallen als resultaat overige werkzaamheden kwalificeert. Dit voorkomt een hoop discussie en onzekerheid over de kwalificatie van de Airbnb-inkomsten en de eigen woning. De gehele eigen woning blijft in dat geval als eigen woning gelden. De discussie rondom de ‘meer dan bijkomstige werkzaamheden’ is in dat geval irrelevant. Ook de discussie over de kwalificatie van (een gedeelte van) de woning in box 1 of box 3 zou in dat geval buiten beschouwing blijven bij tijdelijke verhuur van de eigen woning, aangezien deze onder de regels van de eigen woning blijft vallen.

Bron: drs. C.N. Kwakman, Belastingadviseur Contaxus Belastingadviseurs |

5 ZAKEN DIE U MOET WETEN OVER HET BELASTINGPLAN 2020 (08-11-2019)

Wat zat er in het koffertje? 17 september 2019 werd het Belastingplan 2020 bekendgemaakt. Veel van de zaken in het Belastingplan waren al eerder bekendgemaakt. Hieronder lichten we 5 maatregelen kort toe.

1. Liquidatie- en stakingsverliesregeling aangepast
Bedrijven kunnen nu nog onbeperkt verliezen, door ontbinding van een dochteronderneming of het staken van een bedrijfsactiviteit in het buitenland, aftrekken van de winst die zij in Nederland maken. Deze zogenoemde liquidatie- en stakingsverliesregeling wordt zo aangepast dat bedrijven minder vaak zo’n verlies kunnen aftrekken en dus meer belasting gaan betalen. Door het aanpassen van de liquidatie- en stakingsverliesregeling wordt beoogd:
•het niet meer mogelijk te maken om liquidatie- en stakingsverlies te nemen op deelnemingen en vaste inrichtingen buiten de EU/EER; en
•de planbaarheid van het aftrekmoment van een liquidatie- en stakingsverlies te beperken.

2. Versneld invoeren tweeschijvenstelsel inkomstenbelasting
Het kabinet wil het tweeschijvenstelsel al invoeren per 1 januari 2020. In dat jaar geldt dan een basistarief van 37,35 procent en een toptarief van 49,5 procent. In 2021 wordt het basistarief verlaagd naar 37.10 procent.

3. Belasting elektrische auto’s
Alle voordelen voor elektrische auto’s zullen langzaam afgebouwd worden. De korting op de motorrijtuigenbelasting is tot 2024 100 procent, in 2025 75 procent en vanaf 2026 0 procent. De aanschafbelasting is tot 2024 nul euro, maar vanaf 2025 360 euro.

De klapper op korte termijn is de bijtelling. Deze gaat stapsgewijs omhoog. In 2019 was deze 4 procent tot een catalogusprijs van 50.000 euro en 22 procent daarboven. In 2020 zal deze verdubbelen en gaat de 22 procent al gelden voor een catalogusprijs van 45.000 euro. In de volgende jaren zal het bijtellingspercentage verder stijgen. In 2026 zal de bijtelling op gelijke voet staan met benzineauto’s.

Over een overgangsmaatregel voor bestaande gebruikers van een elektrische auto wordt niet gesproken in het Belastingplan.

4. Verlaging zelfstandigenaftrek
In combinatie met een verhoging van de arbeidskorting wordt er een geleidelijke verlaging van de zelfstandigenaftrek voorgesteld. Dit was al reeds bekend. De zelfstandigenaftrek wordt vanaf 2020 met acht jaarlijkse stappen van 250 euro verlaagd en één stap van 280. Zodoende zal deze aftrek in 2028 5.000 euro bedragen.

5. Aanpassing KOR
Hoewel we deze maatregel niet terug hebben kunnen vinden in het Belastingplan, willen we deze niet in het lijstje laten ontbreken. De Kleine Ondernemersregeling (KOR) gaat aangepast worden. De nieuwe KOR kan worden toegepast op zowel natuurlijke personen als rechtspersonen. Het is de bedoeling dat vanaf 2020 de omzet bepalend zal zijn voor de (eventuele) toepassing van de KOR. Het wetsvoorstel gaat uit van een omzetgrens van € 20.000. Ondernemers die onder deze grens blijven, zijn geen btw verschuldigd en hoeven geen btw-aangifte te doen. Dat vermindert de administratieve verplichtingen.

Bron: Nextens

VAN DE KOR NAAR DE OVOB, WIL JE DAT WEL? (08-11-2019)

Nu de KOR dus straks de OVOB? Misschien, maar kies bewust!

Als je ondernemers in je portfolio hebt die starten, een beperkte omzet hebben of veel investeringen doen, dan herken je het wel: aan het einde van het jaar meld je dat hij of zij recht heeft op de kleine ondernemersregeling (KOR). Een mooi cadeautje rond de feestdagen, je hoeft tot maximaal € 1.345 minder btw af te dragen. Aan deze vermindering volgens de kleine ondernemersregeling zit een relatief complexe berekening verbonden. De wetgever wilde dat vereenvoudigen en dus krijgen we vanaf 1 januari 2020 de zogenaamde Omzetgerelateerde Vrijstelling OmzetBelasting (OVOB).

Als je per 1 januari 2020 gebruik wilt maken van de OVOB, dan moet je je vóór 20 november a.s. aanmelden bij de Belastingdienst, maar wil de ondernemer dat wel?

De huidige situatie: KOR
De huidige KOR is een vermindering van de af te dragen btw. Je kunt hier over het algemeen gebruik van maken als je een beperkte omzet hebt, veel geïnvesteerd hebt óf je verkopen belast zijn met het lage (9%) btw tarief en je over inkopen het normale (21%) btw tarief betaalt. Als het saldo van de af te dragen en terug te vragen btw minder is dan € 1.883 dan kun je de vermindering toepassen. Bij internationale transacties zijn hierop nog uitzonderingen, maar het gaat te ver om daar in deze column bij stil te staan. Van belang is wel dat toepassing van de KOR geen invloed heeft op de mogelijkheid om btw op kosten en (grote) investeringen terug te vragen.

Een nieuw stelsel: OVOB
Met de invoering van de OVOB voert de wetgever een stelselwijziging door.
Als je omzet minder is dan € 20.000 en je kiest voor de OVOB, dan ben je vanaf dat moment vrijgesteld van btw. Aan de ene kant is dat een vereenvoudiging, je hoeft geen btw aangiften meer te doen. Ook heb je een voordeel, je draagt geen btw meer af over je omzet. Bij een omzet van € 20.000 inclusief btw is dat een voordeel van € 3.471. Daar kun je leuke dingen mee doen. Er is ook een keerzijde. Doordat je vrijgesteld bent, kun je geen btw meer terugvragen op kosten die je maakt en (grote) investeringen die je doet. Als je in de afgelopen 5 jaar (bij vastgoed 10 jaar) geïnvesteerd hebt in bijvoorbeeld een auto of laptop, dan moet je een deel van de btw op de aanschaf terugbetalen doordat je vrijgesteld wordt. Omdat je aan een keuze voor de OVOB drie jaar vast zit, is het zaak goed na te denken of je de OVOB wel wilt. Zeker als je verwacht binnen de komende drie jaar grote of minder grote investeringen te doen dan is het gewone btw regime zo gek nog niet.

OVOB of niet: kies bewust
De OVOB moet de btw-heffing eenvoudiger maken en meer in lijn met de systemen in de andere EU-lidstaten. De OVOB is in tegenstelling tot de KOR een vrijstelling en dat kan zorgen voor forse financiële gevolgen. Het is daarom niet vanzelfsprekend om de OVOB aan te vragen omdat de ondernemer nu de KOR gebruikt. Bedenk vooraf goed of hij of zij op de lange termijn inderdaad voordeel heeft van de OVOB!

Bron: Nextens

HITTERECORD, ZONNEPANELEN EN BTW (11-10-2019)

Nog nooit eerder was het in Nederland zo warm als afgelopen zomer. Naast code oranje, hitteplannen en mussen die van het dak vallen, betekent dat ook dat zonnepanelen overuren maken en het rendement dit jaar erg goed is. Dit leek mij een mooi moment voor een update over het terugvragen van BTW bij de aanschaf van zonnepanelen en mogelijk ook van de BTW op de bouwkosten van de woning.

Oorsprong ligt in Oostenrijkse zaak
In 2013 heeft het Europese Hof van Justitie uitspraak gedaan in een Oostenrijkse zaak. De heer Fuchs was van mening dat hij voor het opwekken en leveren van energie aan de energiemaatschappij met zonnepanelen ondernemer voor de heffing van BTW was. Het Europees Hof gaf hem daar uiteindelijk gelijk in. Dat betekende dat hij de BTW op de aanschaf van de zonnepanelen terug kon vragen. Uiteraard moest hij dan wel BTW afdragen over de levering aan de energiemaatschappij.

Elke eigenaar van zonnepanelen is ondernemer
Het gevolg van de uitspraak van het Europees Hof is dat elke eigenaar van zonnepanelen die energie opwekt en levert ondernemer is voor de BTW. De staatssecretaris heeft gereageerd op de uitspraak door een vraag- en antwoordbesluit te publiceren dat regelmatig geüpdatet wordt.
Daarnaast is er een apart onderdeel van de website van de Belastingdienst gewijd aan dit onderwerp. Voor de af te dragen BTW is goedgekeurd dat op basis van het opwekvermogen van de zonnepanelen de eigenaar een forfaitair bedrag kan afdragen. Door gebruik te maken van de kleine ondernemersregeling is de eigenaar meestal per saldo geen BTW verschuldigd.

Als de eigenaar al voor andere activiteiten ondernemer voor de BTW is, dan blijft hij het forfaitaire bedrag wel jaarlijks betalen.

En de woning?
Tot zover voor u waarschijnlijk niets nieuws onder de zon. De afgelopen tijd zijn er in Nederland ook enkele procedures gevoerd over de BTW op de bouwkosten van de onderliggende woning.
Wat was het geval? De zonnepanelen werden geïnstalleerd op een nieuwbouwwoning. De eigenaar is van mening dat ook de onderliggende woning dienstbaar is aan de installatie van de zonnepanelen en dat hij daarom recht heeft op aftrek van een deel van de BTW op de bouwkosten van de woning. Inmiddels hebben verschillende rechters zich gebogen over dit vraagstuk met verschillende uitkomsten.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden stelde in 2017 een belastingplichtige in het gelijk, maar dacht daar recent anders over. Rechtbank Noord-Nederland stelde recent een belastingplichtige in het gelijk. In de uitspraken, waarbij de belastingplichtigen in het gelijk zijn gesteld, wordt het recht op aftrek als volgt berekend: woonoppervlakte woning + oppervlakte zonnepanelen = totaal nuttig oppervlakte. Door vervolgens het oppervlakte van de zonnepanelen te delen op het totaal nuttig oppervlakte ontstaat een breuk. Die breuk vermenigvuldigd met de BTW op de totale bouwkosten van de woning is dan het recht op aftrek.

Tip: vraag btw op bouwkosten terug
Het is afwachten totdat uiteindelijk de Hoge Raad uitspraak doet in één van de lopende procedures. In de tussentijd doet u er goed aan bij uw klanten die zonnepanelen laten plaatsen op een nieuwbouwwoning ook de BTW op een deel van de bouwkosten terug te vragen. U moet zich er dan wel op voorbereiden dat de Belastingdienst deze teruggave weigert totdat er duidelijkheid is over dit vraagstuk. Een bezwaar- en/of beroepsprocedure is voorlopig daarom wel noodzakelijk.
Ik wens u een goede zomer met veel zon toe!

Bron: drs. J. (Jan) van Esch, Register Belastingadviseur bij Duijd fiscalisten

BELASTINGDIENST GEEFT EENMANSZAKEN NIEUW BTW-IDENTIFICATIENUMMER (11-10-2019)

De eerste groep mensen met een eenmanszaak van de fiscus ontvangt een nieuw btw-identificatienummer (btw-id). In totaal ontvangen deze maand (oktober 2019) circa 1.3 miljoen ondernemers dit nieuwe btw-id.

Geen BSN meer in btw-id
In het nieuwe btw-id is het BSN van de ondernemer niet langer verwerkt. Zo wordt de privacy van de ondernemer beter gewaarborgd. Het nieuwe btw-id is geldig vanaf 1 januari 2020. De Belastingdienst verzendt de brieven deze maand al, zodat een ondernemer nu al voorbereidingen kan treffen, zoals het aanpassen van briefpapier en het informeren van de boekhouder.

Btw-id vermelden op facturen en website
Het btw-id is een persoonlijk, uniek nummer dat bestaat uit een reeks van 14 tekens. Vanaf 1 januari 2020 moeten ondernemers het btw-id op facturen en hun website vermelden om zich te identificeren als btw-plichtig ondernemer. Daarmee voldoen zij aan de wettelijke eisen. Voor handel binnen de EU is het belangrijk dat mensen met een eenmanszaak hun btw-id tijdig doorgeven aan hun leveranciers.

Huidig nummer voor communicatie fiscus
Ondernemers houden hun huidige btw-nummer voor communicatie met de Belastingdienst en voor de btw-aangifte.

Bron: Belastingdienst

BELASTINGDIENST KOMT MET VIER TIPS OVER DE VERNIEUWDE KOR (03-10-2019)

Steeds meer mensen starten een eigen onderneming. Het eerste half jaar van 2019 registreerde de Kamer van Koophandel ruim 118.000 nieuwe ondernemingen, een stijging van 11 procent ten opzichte van vorig jaar.

Ook voor startende ondernemers is de vernieuwde kleineondernemersregeling (KOR) mogelijk interessant.
De regeling geeft ondernemers en organisaties met een jaaromzet tot en met € 20.000, waaronder starters, recht op vrijstelling van de btw.

Vier tips om erachter te komen of de vernieuwde KOR interessant is voor uw klant:

1. Controleer of uw klant gebruik kan maken van de regeling

Kijk op de site van de Belastingdienst, daar is een hulpmiddel waarin eenvoudig is na te gaan of uw klant in aanmerking komt voor de vernieuwde kleineondernemersregeling.

2. Zet alle financiële voor- en nadelen op een rij

Maak een inschatting of uw klant de komende jaren btw moet betalen. Als de klant jaarlijks btw terugkrijgt, lijkt deelname aan de KOR in eerste instantie financieel nadelig. Maar het is ook belangrijk om rekening te houden met besparingen, zoals de tijd en/of kosten voor het doen van de btw-aangifte.

3. Bekijk welke invloed deelname aan de KOR heeft op jouw klanten

Particuliere klanten kunnen vaak geen btw aftrekken. De berekende btw op een factuur verhoogt de prijs voor hen. Als uw klant vooral particuliere klanten heeft, kan dat reden zijn om deel te nemen aan de KOR, omdat de klant dan geen btw in rekening hoeft te brengen.

4. Schat jouw financiële situatie over drie jaar in

Als uw klant kiest voor de vernieuwde KOR dan doet hij of zij dat voor een periode van minimaal drie jaar. Dat betekent dat uw klant drie jaar geen btw meer in rekening brengt, maar ook geen btw mag aftrekken van zakelijke kosten en investeringen. Als de klant van plan is de komende tijd zakelijke investeringen te doen, kan dat reden zijn om vooralsnog niet deel te nemen aan de KOR.

De nieuwe KOR vervangt de huidige KOR die ondernemers recht gaf op een korting op de btw. Om per 1 januari 2020 gebruik te kunnen maken van de nieuwe KOR dienen ondernemers dit vóór 20 november kenbaar te maken. Dat doen zij door het aanmeldformulier te printen en op te sturen naar de Belastingdienst.

Bron: Belastingdienst

WAT HOUDT DE NIEUWE KLEINE ONDERNEMERSREGELING IN? (03-10-2019)

Na lang wachten is het eindelijk zo ver: een gemoderniseerde kleine ondernemersregeling (Kor). Deze treedt per 1 januari 2020 in werking. Al in de Fiscale agenda van 2011 staat de wens genoteerd om de Kor te vereenvoudigen. In het Belastingplan 2019 is de gemoderniseerde Kor dan eindelijk opgenomen.

Voorwaarden
Voor de nieuwe Kor gelden veel minder voorwaarden dan voor de huidige. Hij kan dus vaker worden toegepast. De voorwaarden zijn:
•De ondernemer is in Nederland gevestigd of heeft hier een vaste inrichting;
•De omzet is niet hoger van 20.000 per kalenderjaar.

Een belangrijke voorwaarde die is komen te vervallen, is dat de Kor alleen door natuurlijke personen of samenwerkingsverbanden van natuurlijke personen kan worden toegepast. Een voorwaarde die mijns inziens in strijd was met de rechtsvormneutraliteit die in de btw geldt. Dit betekent dat ook rechtspersonen, onder andere verenigingen en stichtingen, de nieuwe regeling kunnen toepassen. Voorwaarde is wel dat de ondernemer in Nederland gevestigd is, of in Nederland een vaste inrichting heeft.

Voor- en nadelen
Het toepassen van de Kor brengt met zich mee dat ter zake van verrichte leveringen en diensten geen btw in rekening mag worden gebracht aan afnemers. Dit kan een prijsvoordeel opleveren als wordt geleverd aan personen die niet aftrekgerechtigd zijn. De keerzijde is dat een ondernemer die de Kor toepast geen recht heeft op aftrek van voorbelasting. Dit betekent dat vooraf goed in kaart moet worden gebracht of het toepassen van de Kor wenselijk is. Als een ondernemer ervoor kiest om de Kor toe te passen en later blijkt dat een ondernemer in het desbetreffende jaar meer btw heeft betaald aan leveranciers dan aan afnemers in rekening is gebracht, dan kan niet worden verzocht om een teruggaaf.

Eindelijk Kor voor kleine ondernemers
Door het invoeren van een omzetgrens wordt de Kor eindelijk een regeling voor kleine ondernemers. De huidige regeling kan namelijk ook worden toegepast door ondernemers met een omzet van een miljoen, omdat niet wordt aangesloten bij de omzet, maar bij de afdracht.

De omzetgrens geldt enkel voor leveringen en diensten die plaatsvinden in Nederland, ongeacht welk btw-tarief van toepassing is en of de heffing van btw is verlegd naar de afnemer. De omzet die wordt behaald met leveringen en diensten die niet in Nederland plaatsvinden, worden hierbij niet meegenomen.

De omzetgrens geldt per kalenderjaar. Dit betekent dat een ondernemer die in december van een bepaald jaar startgebruik kan maken van de Kor als zijn omzet in december maximaal 20.000 euro bedraagt.

In beginsel wordt alleen de btw-belaste omzet meegenomen. De omzet van bepaalde in de wet genoemde prestaties moet echter ook worden meegenomen. In de wet worden in dit kader de volgende prestaties genoemd:
•Levering en verhuur van onroerende zaken;
•Financiële diensten op het gebied van het betaalverkeer;
•De handel in effecten;
•Kredietverlening;
•Verzekeringen.

De omzet in het kader van vrijgestelde prestaties die hierboven niet worden genoemd, wordt voor toepassing van de Kor niet in aanmerking genomen.

Verder wordt tot de omzet meegerekend: de omzet in het kader van uitvoer van goederen of plaatsen van de goederen onder de regeling douane-entrepot in het kader van hun menslievende, liefdadige of opvoedkundige werk buiten de Unie, waarvoor een btw-teruggaaf wordt verleend. Als prestaties worden verricht en enkel btw is verschuldigd uit de winstmarge, bijvoorbeeld bij toepassing van de reisbureauregeling en de margeregeling voor gebruikte goederen, wordt enkel de winstmarge als omzet in aanmerking genomen.

Als door een Kor-ondernemer op enig moment de omzetgrens wordt overschreden, vervalt op dat moment de toepassing van de Kor. Alle reguliere btw-regels, onder andere het in rekening brengen van btw en het doen van btw-aangifte, gaan vanaf dat moment gelden.

Uitgezonderde prestaties
De Kor is niet van toepassing op de levering van nieuwe vervoermiddelen die door of voor rekening van de ondernemer of afnemer worden verzonden ov vervoerd naar een plaats in een andere lidstaat in het kader van de levering aan de afnemer. Ook is de Kor niet van toepassing op de levering van onroerende zaken en rechten waaraan deze zijn onderworpen en die door de ondernemer in zijn bedrijf is gebruikt. De Kor-ondernemer kan niet worden aangewezen voor voldoening van de bij invoer verschuldigde btw op aangifte. Met andere woorden: een Kor-ondernemer krijgt geen artikel 23-vergunning.

Aanmelden voor 3 jaar
Het toepassen van de Kor blijft optioneel. Anders dan de huidige regeling moet een ondernemer die vanaf 1 januari 2020 de Kor wil toepassen, zich hiervoor aanmelden bij de Belastingdienst.

Aanmelden kan vanaf 1 juni 2019 middels een formulier, welke te vinden is op de website van de fiscus. Op de website geeft de Belastingdienst aan dat ondernemers die vanaf 1 januari 2020 de regeling willen toepassen ervoor moeten zorgen dat het formulier uiterlijk 20 november 2019 bij de Belastingdienst binnen is. Als een ondernemer het na 1 januari 2020 wil toepassen, adviseert de Belastingdienst om uiterlijk vier weken voor de ingangsdatum van het aangiftetijdvak het formulier aan de Belastingdienst te sturen, in verband met een verwerkingsperiode van vier weken.

Ondernemers die voor invoering van de nieuwe Kor al een ontheffing voor de administratieve verplichtingen hebben, hoeven zich niet aan te melden. Deze worden door de Belastingdienst automatisch aangemeld. Ondernemers die ervoor kiezen om de Kor toe te passen doen dit voor minimaal drie jaar. Toepassing van de Kor komt ook te vervallen op het moment dat de omzetgrens van 20.000 euro wordt overschreden. Dit moet direct aan de Belastingdienst worden gemeld.

Ondernemers die automatisch worden aangemeld voor de nieuwe Kor, omdat deze ontheffing hebben voor de administratieve verplichtingen, kunnen zich op ieder moment afmelden. Let wel dat na afmelding de Kor vanaf het moment van afmelding drie jaar niet kan worden toegepast.

Verplichtingen

Kor-ondernemers zijn ontheven voor het doen van btw-aangifte en listing. Ook geldt een ontheffing voor de administratieve verplichtingen van de Wet OB. Voor de inkopen geldt overigens wel een administratieplicht. De Kor-ondernemer kan volstaan met het bewaren van de aan hem uitgereikte facturen.

De ontheffing voor aangifte- en administratieve verplichtingen geldt niet voor prestaties die een ondernemer afneemt en waarvoor de btw-heffing naar hem is verlegd. De Kor-ondernemer moet hiervoor btw-aangifte doen en de verschuldigde btw aan de Belastingdienst afdragen. Ook gelden in dit kader alle administratieve verplichtingen.

Nu al starten
De Kor brengt een hoop wijzigingen met zich mee. Ondanks dat het nog een half jaar duurt voordat deze in werking treedt, verdient het de aanbeveling om nu al na te gaan of een belastingplichtige al dan niet in aanmerking komt voor toepassing van de nieuwe Kor en natuurlijk of dit wenselijk is. Eventuele aanmeldingen kunnen op dit moment al worden gedaan.

Bron: Elsevier Nextens

5 TIPS: OPTIMAAL GEBRUIK AFSCHRIJVINGSMOGELIJKHEDEN BEDRIJFSPAND (16-09-2019)

Het afschrijven op bedrijfsgebouwen is sinds dit jaar verder beperkt. Bedrijfsgebouwen in eigen gebruik mogen voor de vennootschapsbelasting nog maar tot 100% in plaats van 50% van de bodemwaarde worden afgeschreven. Dit was al het geval voor gebouwen die als beleggingsvermogen worden beschouwd. Door deze maatregel zal de jaarlijkse winst voor veel ondernemingen stijgen.

Met deze vijf tips kan optimaal gebruik worden gemaakt van de afschrijvingsmogelijkheden van een bedrijfspand en worden onaangename extra kosten voorkomen.

Tip 1: check de WOZ-waarde
De WOZ-waarde is het uitgangspunt van de bodemwaarde. Het is dus van belang dat deze klopt. Klopt deze niet, dan moet bezwaar gemaakt worden tegen de WOZ-beschikking van de gemeente. Vraag het taxatierapport op bij de gemeente en controleer of de uitgangspunten kloppen. Er kan bijvoorbeeld gekeken worden of alle onderdelen wel tot het gebouw behoren en of er sprake is van één of van meer gebouwen.

Tip 2: wijzig de afschrijvingsmethode
Fiscaal zijn twee afschrijvingsmethoden mogelijk, namelijk de cascomethode of de mengvariant. Het verschil tussen deze methoden zit in de manier waarop wordt omgegaan met sneller slijtende onderdelen van het gebouw, zoals een airco of winkelpui.

Vaak wordt in de bedrijfseconomische jaarrekening de mengvariant toegepast. Hierbij wordt per onderdeel van het gebouw de gebruiksduur bepaald. Het totale afschrijvingspercentage voor het gebouw is het mengpercentage van de gebruiksduur van de verschillende onderdelen en het casco. Bij vervanging van een onderdeel wordt deze geactiveerd en wordt het afschrijvingspercentage van het gebouw eventueel aangepast.

Bij de cascovariant wordt alleen gekeken naar de gebruiksduur van het casco en niet naar de gebruiksduur van sneller slijtende onderdelen. Hierdoor wordt de jaarlijkse afschrijving lager. Voordeel van deze variant is dat de kosten van vervanging van een sneller slijtend onderdeel in één keer als onderhoudskosten ten laste van de winst kunnen worden gebracht. Eventueel kan een onderhoudsvoorziening worden gevormd, waaraan jaarlijks de in de toekomst te maken onderhoudskosten worden gedoteerd. Op deze manier kunnen ook, na het bereiken van de bodemwaarde, jaarlijks kosten voor het gebouw ten laste van de winst worden gebracht.

Tip 3: waardeer af tot de lagere bedrijfswaarde
Naast de reguliere afschrijving is het in sommige situaties mogelijk om een extra afschrijving te doen en over te gaan naar waardering op lagere bedrijfswaarde. Deze afwaardering is ook mogelijk als de bodemwaarde is bereikt.

De lagere bedrijfswaarde is gebaseerd op de going-concern waarde. Going-concern waarde is de waarde van de onderneming, uitgaande van voortzetting (continuering) van de bestaande situatie, dus zonder nieuw beleid, productontwikkeling, optimalisatie financieringsstructuur, etc.

De fiscale wet kent wel een beperking. Afwaardering is niet toegestaan als de omstandigheden, waarop deze is gebaseerd, op het moment van investeren in het gebouw al aanwezig waren.

Tip 4: verhoog de afschrijvingsbasis
Door het realiseren van de meerwaarde kan de afschrijvingsbasis van een gebouw worden verhoogd. Dit is vooral aantrekkelijk als er voldoende verrekenbare verliezen aanwezig zijn. Het gebouw wordt binnen concern verkocht aan een andere vennootschap. De verkopende bv maakt een winst die kan worden verrekend met de aanwezige verliezen, en de kopende bv mag het pand tegen de aankoopwaarde activeren. De afschrijvingen bij koper worden gebaseerd op deze aankoopwaarde.

Let wel, dit werkt niet als beide vennootschappen tot dezelfde fiscale eenheid behoren. Transacties binnen fiscale eenheid zijn immers niet zichtbaar. Daarnaast is in beginsel overdrachtsbelasting verschuldigd door de kopende bv. Om gebruik te maken van een vrijstelling in de overdrachtsbelasting dienen de verkopende en de kopende vennootschap een aandeelhoudersrelatie van tenminste 90% te hebben.

Met ingang van dit jaar is de verliesverrekeningstermijn van bv’s verkort van negen naar zes jaar. Verliesverdamping vindt dus sneller plaats, waardoor meerwaarderealisatie nog eerder aantrekkelijker wordt.

Tip 5: verhoog de voorlopige aanslag
Is ondanks bovenstaande tips toch geen afschrijving meer mogelijk, dan zal de winst in 2019 hoger worden. Door het verhogen van de voorlopige aanslag worden onaangename verrassingen en belastingrente voorkomen.

Bron: Nextens / Andrien van der Werf, fiscaal jurist / senior belastingadviseur

EXCESSIEF LENEN BIJ DE EIGEN BV? U WORDT DUBBEL BELAST! (16-09-2019)

Zeer recent heeft een internetconsultatie plaatsgevonden over het wetsvoorstel betreffende het belasten van het excessief lenen van de eigen bv. De wetgever streeft ernaar dat dit wetsvoorstel per 1 januari 2022 definitief in werking treedt. Met deze wet zullen leningen die dga’s (directeur grootaandeelhouders) van hun eigen bv verkrijgen onder omstandigheden (sneller) in de belastingheffing worden betrokken. Hierdoor wordt de kans echter sterk vergroot dat de dga dubbel belast wordt. Het is voor de dga en zijn adviseur dan ook van belang om de ontwikkelingen op dit vlak goed te blijven volgen. In deze blog ga ik nader op het aspect van de dubbele heffing in.

Heffing excessieve lening van de bv
Globaal schrijft dit wetsvoorstel voor dat directeuren-grootaandeelhouders die meer dan € 500.000 van hun eigen bv lenen in de belastingheffing worden betrokken. Hierbij maakt het zelfs niet uit of deze aandeelhouders een minderheids- of meerderheidsbelang hebben, zolang maar een aanmerkelijk belang (minimaal 5%), in de bv wordt gehouden. Bij de vraag of de grens van € 500.000 wordt overschreden, worden ook leningen van de partner meegenomen. De belastingplichtige dga wordt met deze maatregel in meerdere gevallen in de heffing betrokken. Dit is het geval als met de dga of zijn partner verbonden personen leningen van meer dan € 500.000 van de bv hebben verkregen. Hierbij moet de dga in deze bv een aanmerkelijk belang hebben. Leningen die door de bv aan (groot-)ouders en (klein-)kinderen zijn verstrekt, zijn dus ook relevant!

Zoals vermeld is de verwachting dat de wet per 1 januari 2022 in werking treedt. Dit betekent dat op 31 december 2022 voor het eerst zal moeten worden bepaald of het bedrag van
€ 500.000 wordt overschreden. Indien dat het geval is, zal het meerdere boven € 500.000 als een fictief inkomen uit aanmerkelijk belang bij de dga worden belast. De heffing zal dan plaatsvinden tegen het dan geldend tarief in box 2. Het tarief in box 2 bedraagt vanaf 2021: 26.9%.

Potentiële dubbele belastingheffing
Dit wetsvoorstel roept vragen en kritiek op. Onder meer de potentiële dubbele belastingheffing die het wetsvoorstel kan veroorzaken, is een punt dat veel kritiek ontvangt. Twee van deze dubbele belastingrisico’s worden hierna beschreven.

1.Uitkering als dividend
De aan de dga en zijn partner en/of de met hen verbonden personen verstrekte leningen kunnen als fictief inkomen uit aanmerkelijk belang worden belast. Een fictief inkomen wordt in aanmerking genomen indien de verstrekte leningen als bovenmatig worden aangemerkt. Met het bedrag van belasting dat als gevolg van deze regeling in een bepaald jaar is betaald, mag in een later jaar rekening worden gehouden. Hiermee moet worden voorkomen dat over hetzelfde deel van de bovenmatige schuld nogmaals inkomstenbelasting wordt geheven. Echter, indien een vordering van de bv op de dga als dividend wordt uitgekeerd, of de vordering door de bv ten gunste van de dga wordt prijsgegeven, dan wordt geen aftrek ter voorkoming van dubbele belastingheffing verleend. Zelfs als er eerder een heffing in verband met het fictief inkomen heeft plaatsgevonden. Het resultaat is dat dubbele belastingheffing plaatsvindt. Per saldo bedraagt de heffing 53,8%. Immers, 26,9% is geheven op het moment dat een fictief inkomen in aanmerking wordt genomen vanwege de bovenmatige vordering van de eigen bv. Vervolgens wordt nogmaals 26,9% geheven over de als dividend uitgekeerde vordering die al eerder als fictief inkomen is belast.

2.Privévermogen in eigen bv
De dubbele belastingheffing uit zich in de praktijk ook in andere situaties. Zo hebben veel dga’s de afgelopen jaren privévermogen als kapitaal gestort in de eigen bv en vervolgens terug geleend. Vaak is dit gedaan om de verschuldigde belasting in box 3 te beperken. Over de terug geleende gelden wordt als gevolg van de toekomstige regeling belasting verschuldigd, indien het bedrag van de terug geleende gelden als bovenmatig worden aangemerkt. Tegelijkertijd zullen de aandelen door de kapitaalstorting niet (per se) meer waard zijn geworden. Echter, op de aandelen in de bv rust wel een inkomstenbelastingclaim, waarover later alsnog bij een (fictieve) vervreemding van de aandelen (nogmaals) zal moeten worden afgerekend. Hierbij steekt het des te meer dat voor het bovenmatig deel van de leningen, die na inwerkingtreding van de regeling nog bestaat, de vervreemdingskorting niet kan worden toeg

Tijd voor actie
Hoewel het wetsvoorstel wet excessief lenen bij de eigen bv nog niet definitief is, en de verwachting is dat dit wetsvoorstel nog zal worden aangepast, zal het wetsvoorstel naar alle verwachting tot aanzienlijke nadelige gevolgen voor belastingplichtigen leiden. Deze nadelige gevolgen zullen vooral door belastingplichtigen gevoeld worden die aanzienlijke schulden op de eigen bv hebben opgebouwd. Het maakt in principe zelfs niet uit of die leningen onder zakelijke voorwaarden zijn verkregen. Ook maakt het in beginsel niet uit of die leningen ten gunste van de partner en of verbonden personen zijn verstrekt. Belastingplichtigen zullen dan ook tijdig maatregelen moeten nemen om de nadelige gevolgen van dit wetsvoorstel te beperken. Ook is het goed te beoordelen of bijvoorbeeld nu al gestart moet worden met het aflossen van schulden.

Bron: Nextens / Samad Laghmouchi, advocaat en belastingkundige

VERHARDING RELATIE TUSSEN BELASTINGDIENST EN BELASTINGADVISEURS (12-09-2019)

Belastingadviseurs geven aan een verharding te ervaren in hun relatie met medewerkers van de Belastingdienst. Het kost steeds meer moeite om de juiste informatie te krijgen en veel adviseurs missen een vast contactpersoon bij de fiscus. Dit staat in het vandaag gepubliceerde onderzoek van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) en het Register Belastingadviseurs (RB).

Weinig pluspunten
De organisaties doen voor de derde keer een dergelijk onderzoek naar de verstandhouding van hun achterban met de Belastingdienst. ‘Heel veel zaken zijn verslechterd en weinig zaken zijn verbeterd’ zegt RB-voorzitter Fons Overwater samenvattend over de onderzoeksresultaten. ‘Er vallen weinig pluspunten te melden.’

Een kleine meerderheid van 51% vindt dat de relatie met de fiscus hetzelfde is gebleven in de afgelopen jaren. Iets meer dan een kwart van de ondervraagden geeft aan de verhouding enigszins of sterk verslechterd is. Dat is beduidend meer dan in 2016 bij het laatste onderzoek, schrijft het FD.

Formeler
Veel adviseurs uiten hun zorgen over de rechtszekerheid en rechtsbescherming voor de belastingplichtigen. Er worden sneller boetes en andere sancties opgelegd. De genoemde verharding komt ook naar voren in de formelere opstelling van de medewerkers. Daarnaast merkt twee derde van fiscale dienstverleners op dat het moeilijker is om afspraken te maken met de dienst.

Er zijn belastinginspecteurs die zich voelen gesteund door de maatschappelijke discussie over belastingontwijking zegt NOB-voorzitter Bartjan Zoetmulder. Je krijgt als adviseur sneller te horen dat je een fout standpunt hebt ingenomen in een aangifte. Daarover valt dan niet meer te praten, omdat je een te agressieve positie zou hebben ingenomen.’

Bereikbaarheid
Vooral de bereikbaarheid en toegankelijkheid zijn langzaam maar zeker afgenomen de afgelopen jaren. Het rapportcijfer is met een 5,9 dan ook iets lager dan drie jaar terug. De organisaties erkennen dat deze afname niet zozeer een kwestie is van onwil maar een gevolg van de eerdere bezuinigingen.

Vooral adviseurs die voor meerdere bedrijven de aangiftes doen ervaren problemen met de helpdesk. De bereikbaarheid is sinds 2016 met 50% teruggelopen. Ook kun je er volgens de intermediars niet terecht met inhoudelijke vragen. Het onderzoek dat onder 3000 fiscalisten werd gedaan is vrijdag aangeboden aan de directeur-generaal Jaap Uijlenbroek. Di e aangaaf snel in gesprek te willen met de adviseurs, aldus het FD.

Bron: FD

SUBSIDIE EN HET TERUGVRAGEN VAN BTW, MEER DUIDELIJKHEID? (12-09-2019)

Regelmatig krijg ik van accountants en ondernemers de vraag of een ontvangen subsidie belast is met BTW. Daar kan ik geen eenvoudig antwoord op geven, omdat het altijd afhankelijk is van de afspraken die er tussen de subsidieverstrekker en de subsidieontvanger zijn gemaakt.
Na het antwoord op de eerste vraag is de volgende vraag vaak of de subsidie invloed heeft op het recht BTW terug te vragen op gemaakte kosten. Ook die vraag kan ik helaas niet eenvoudig beantwoorden. Het Europese Hof van Justitie heeft daar recent in een Poolse zaak gelukkig wat duidelijkheid over gegeven. De uitkomst daarvan is ook voor Nederland van belang.

Activiteiten
Om de zaak van het Hof van Justitie in het juiste perspectief te zien, is het goed te weten dat voor de heffing van BTW er twee soorten activiteiten bestaan: economische activiteiten en niet-economische activiteiten. Ik vertaal dat vaak naar activiteiten waar iemand iets voor betaalt (economische activiteiten) en gratis activiteiten (niet-economische activiteiten). De economische activiteiten zijn belast met BTW, tenzij er een vrijstelling van toepassing is. Bij niet-economische activiteiten is heffing van BTW niet aan de orde, omdat niemand een vergoeding betaalt.
Daarbij is ook van belang dat als de niet-economische activiteiten sterk verweven zijn met de economische activiteiten, er voor de BTW maar één soort activiteiten is: economische activiteiten. Daarbij kunt u bijvoorbeeld denken aan het verzorgen van een gratis (of volledig gesubsidieerd) evenement met als doel bezoekers te trekken naar een evenement waar bezoekers entree moeten betalen.

Kostentoerekening en pro rata
Als een ondernemer alleen economische activiteiten heeft, dan kan het zijn dat die activiteiten deels belast zijn met BTW en deels vrijgesteld. Voor het recht om BTW terug te vragen, betekent dat het volgende. De BTW op de kosten die direct toe te rekenen zijn aan het belaste deel is voor 100% aftrekbaar. De BTW op de kosten die direct toe te rekenen zijn aan het vrijgestelde deel is niet aftrekbaar. Er zijn ook kosten die niet toe te rekenen zijn, de algemene kosten. Voor de algemene kosten geldt dat de BTW terug te vragen is in de verhouding belaste omzet / totale omzet. Die verhouding heet voor de BTW de pro rata en is geregeld in de Nederlandse BTW-wetgeving.

Pre pro rata
Als een ondernemer deels niet-economische activiteiten heeft, dan is de vraag hoe de ondernemer dan om moet gaat met het terugvragen van BTW op gemaakte kosten. De Nederlandse BTW-wetgeving regelt dit niet. De Belastingdienst is van mening dat er een zogenaamde pre pro rata geldt. Van de algemene kosten moet dan eerst een deel toegerekend worden aan de niet-economische activiteiten. Over dat deel heb je als ondernemer dan geen recht op aftrek van BTW. Het Hof van Justitie heeft eerder deze maand geoordeeld dat bij deels niet-economische activiteiten de ondernemer voor zijn recht om BTW terug te vragen op de algemene kosten een correctie moet maken voor het niet-economische deel. Dat geldt ook als het niet in de wet geregeld is, zoals in Nederland. De exacte invulling van de correctie geeft het Hof van Justitie niet, maar het is nu in ieder geval duidelijk dát er een correctie moet zijn.

Bijzondere combinatie
Subsidies en BTW blijft een bijzondere combinatie die interessante vragen oproept. Door de uitspraak van het Hof van Justitie is er weer wat meer duidelijkheid over de aftrek van BTW bij niet-economische activiteiten. Ik hoop dat de wetgever deze uitspraak aangrijpt om dit ook in wet- en regelgeving op te nemen, zodat er zowel voor belastingplichtigen, adviseurs en de Belastingdienst helderheid is.

Bron: drs. J. (Jan) van Esch, Register Belastingadviseur bij Duijd fiscalisten

NIEUWE REGELING VOUCHERS: BTW BEPALEN (09-09-2019)

Sinds 1 januari 2019 gelden nieuwe regels voor vouchers. Deze implementatie van een nieuwe Europese richtlijn heeft tot doel de behandeling van vouchers in alle lidstaten eenduidig te maken. In het besluit is een overgangsmaatregel getroffen voor vouchers die voor 1 januari 2019 zijn uitgegeven. Dat schrijft de Belastingdienst.

Wat is een voucher?
Een voucher is een instrument dat als tegenprestatie, of gedeeltelijke tegenprestatie voor goederenleveringen of diensten, ingewisseld of gebruikt kan worden. Een cadeaubon en een telefoonkaart zijn bijvoorbeeld vouchers. Een voucher kan de vorm hebben van een fysiek kaartje of een bon maar dat is niet vereist.

SPV en MPV
Er zijn 2 soorten vouchers: een single purpose voucher (SPV) en een multi purpose voucher (MPV). Wanneer btw verschuldigd is, hangt af van het soort voucher. Uit de informatie bij de voucher moet blijken welke voorwaarden er zijn gesteld aan de voucher. Daarmee kan worden bepaald of het een SPV of een MPV betreft.

SPV: btw bij uitgave voucher
Een SPV is voor enkelvoudig gebruik. Dat wil zeggen dat bij de verkoop van een SPV al vaststaat hoeveel btw verschuldigd zal zijn over de nog te verrichten prestatie. Daarvoor moet duidelijk zijn in welk land de btw-berekening plaatsvindt en welk btw-tarief van toepassing is. Een voorbeeld van een SPV is een tegoedbon voor een aantal malen toegang tot een pretpark. Bij uitgifte van een SPV is de btw op dat moment verschuldigd. Dus als uw klant in bezit is van een SPV en deze later inlevert voor een dienst of levering, dan is geen btw meer verschuldigd. Het bedrag waarover de btw wordt berekend is het bedrag dat betaald is voor de voucher exclusief btw.

MVP: btw bij inlevering voucher
Bij een MPV is het bij uitgifte nog niet vast te stellen hoeveel btw er verschuldigd is over de te verkrijgen prestatie(s) bij het verzilveren van de voucher. Dat kan zijn omdat de voucher in meerdere landen te verzilveren is, of omdat verschillende tariefcategorieën gelden voor de producten/diensten. Een voorbeeld is een voucher die bij een restaurant kan worden ingeleverd voor zowel voedsel als alcoholische dranken. Op het moment van uitgifte van de voucher is nog geen btw verschuldigd. De verkoop van deze MPV is bij iedere schakel (verkoop door een ondernemer) niet belast met btw.

Btw bepalen bij MPV
De btw is pas verschuldigd op het moment waarop de tegenprestatie belast is. Bij een MPV wordt de btw in beginsel berekend over het bedrag exclusief btw dat de consument heeft betaald bij aankoop van de voucher. Als dat bedrag niet bekend is bij de ondernemer die de prestatie verricht, dan moet hij de btw berekenen over de monetaire waarde van de voucher, exclusief btw. Dat is de waarde die op de voucher of in de bijbehorende informatie staat vermeld, vermenigvuldigd met 9/109 of 21/121. Als hij de monetaire waarde niet kan vaststellen, moet hij de waarde van de tegenprestatie bepalen aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden.

Bron: Belastingdienst

GEEN PENSIOENOPBOUW MEER IN EIGEN BEHEER, WAT NU? (09-09-2019)

Er is al veel over gezegd, de Wet uitfasering Pensioen in eigen beheer. De Directeur-grootaandeelhouder (DGA) mag per 2017 geen pensioen meer opbouwen binnen de eigen BV. Als het goed is heeft de DGA reeds een keuze gemaakt met betrekking tot het pensioenkapitaal wat deze heeft opgebouwd binnen de BV. Kort gezegd zijn de keuzes: bevriezen, omzetten of afkopen.

Let op: na 2019 onzuivere pensioenregeling
Mocht de DGA dit nog niet gedaan hebben, dan heeft deze nog tot eind 2019 de tijd om dit te regelen. Wordt er niets aangepast? Dan leidt dit tot een onzuivere pensioenregeling met als gevolg onmiddellijke belastingbetaling over de commerciële (hoge) waarde van de pensioenaanspraak in box 1, met daarbovenop 20% revisierente boete.

Dan is natuurlijk de vraag, wat nu? Ook de DGA wil graag genieten van een zorgeloze oude dag onder een parasol in de zon. Maar wat zijn nu de alternatieven om een pensioeninkomen bij elkaar te sparen?

Sparen
De DGA kan natuurlijk gaan sparen. Het is tegenwoordig een luxe om dit tegen een gegarandeerd rendement te doen, gezien de lage rentestand waarmee wij al ruime tijd te maken hebben. Velen ontkomen er niet aan om zich te verdiepen in beleggingen om zo mogelijk een hoger rendement te behalen.

Wat de juiste keuze voor uw cliënt is, heeft te maken met het kapitaal wat er bij elkaar gespaard moet worden, en welke termijn uw cliënt daarvoor in gedachten heeft. Dit is voor iedereen een persoonlijke afweging.

Sparen kan gedaan worden op drie manieren:

1. In privé, box 3
Dit is een redelijk eenvoudige manier van sparen, omdat hiervoor alleen een bankrekening geopend hoeft te worden. Er kan ongelimiteerd gespaard worden, het vermogen wat boven de heffingsvrije grens in box 3 valt, is belast. Fiscaal vriendelijk is het dus niet wanneer de DGA van plan is een aardig kapitaal bij elkaar te sparen.

2. In privé, box 1
Dit is de fiscaal vriendelijkere manier van sparen, de fiscus spaart namelijk mee. Dit noemen wij lijfrente sparen. Van het netto vermogen wordt de premie voor de opbouw van een lijfrentekapitaal ingelegd. Tijdens de premiebetalende opbouwfase mogen de jaarpremies afgetrokken worden in de aangifte Inkomstenbelasting. Tijdens deze fase is het lijfrentekapitaal vrijgesteld van box 3 belasting, de vermogensrendementsbelasting.

Pas wanneer het kapitaal uitgekeerd wordt zijn de uitkeringen belast. De spaarder heeft dan in veel gevallen de AOW-leeftijd al bereikt, op dat moment wordt de belastingdruk minder door het vervallen van de premies volksverzekeringen. Daarnaast wordt de belasting uitgesmeerd over de uitkeringsperiode, waardoor er gespreid belasting betaald wordt. De duur van de uitkeringen bepaalt de spaarder, onder voorwaarden, zelf. Kortom: een fiscaalvriendelijk product, waarbij de spaarder nog redelijk de touwtjes in eigen handen heeft. Nadeel is dat er niet onbeperkt premies ingelegd mogen worden.

3. In de BV, box 2
Deze oplossing geldt alleen voor de vermogenden onder de DGA’s. Wanneer er reeds een substantieel vermogen in box 3 bij elkaar gespaard is, dan kan het voordelig zijn om dit kapitaal over te hevelen naar de eigen BV van de DGA of kan er een zogenaamde Spaar BV opgericht worden. Binnen de BV stijgt het aandelenkapitaal en dit wordt volgestort met box 3 vermogen. Door de verplaatsing van het vermogen van box 3 naar box 2 zal niet het gehele saldo belast worden, maar alleen het rendement over dit saldo. Hierover wordt 19% vennootschapsbelasting geheven (25% bij winst boven € 200.000). Wanneer de BV vervolgens het resultaat als dividend uitkeert aan de aandeelhouder, moet er 25% inkomstenbelasting betaald worden in box 2.

Ter verduidelijking een rekenvoorbeeld:
Een BV heeft een vermogen van € 600.000 en maakt 2,5% rendement, de belaste winst is dan € 15.000. De vennootschapsbelasting bedraagt 19% over € 15.000 = € 2.850. Over het restant van € 12.150 wordt vervolgens 25% aanmerkelijk belangbelasting geheven, € 3.037. Het netto resultaat bedraagt € 9.113. Wanneer u deze € 600.000 inclusief € 15.000 rendement in box 3 gehouden zou hebben dan zou u hierover ca. € 9.494 vermogensrendementsbelasting betaald hebben. De DGA behaalt hier dus een voordeel van € 3.607.

Weet dat er ook nadelen kleven aan sparen in box 2. Er worden kosten gerekend voor het oprichten van een Spaar BV, daarnaast geldt er een jaarlijkse plicht om een jaarrekening en een aangifte vennootschapsbelasting op te stellen. Door de publicatieplicht van de jaarcijfers wordt het vermogen in de BV ook voor derden zichtbaar. Wanneer de marktrente stijgt dan wordt het voordeel wat behaalt wordt in box 2 minder voordelig. Kortom, er zijn voordelen te behalen met deze spaarvorm, echter het is de vraag of deze opwegen tegen de nadelen.

Wanneer de DGA kiest voor een van deze spaarvormen, wees er dan van bewust dat er dan nog niets geregeld is inzake het nabestaandenpensioen en het risico van arbeidsongeschiktheid. Indien nodig zal de DGA deze risico’s apart moeten afdekken.

Verzekerde pensioenregeling
Het is altijd al mogelijk geweest dat de DGA pensioen opbouwt in een verzekerde pensioenregeling bij een pensioenuitvoerder. Binnen een pensioenregeling kan de DGA, binnen fiscale normen, bepalen hoeveel pensioen er opgebouwd wordt en welke risico’s er worden afgedekt. Denk hierbij aan het risico van overlijden en de premievoortzetting bij arbeidsongeschiktheid. Het assortiment pensioenregelingen voor de DGA is tegenwoordig vooral gericht op het behalen van rendement op de ingelegde premies middels beleggen. Gezien de lage rentestand waar wij al geruime tijd mee te kampen hebben kan dit gunstig zijn. Het voordeel van een verzekerde pensioenregeling is dat het een stok achter de deur is voor wat betreft de premiebetaling, deze moet in termijnen afgedragen worden aan de pensioenuitvoerder.

Kortom, de DGA heeft momenteel wat afwegingen te maken met betrekking tot de pensioenopbouw. Er zijn nog voldoende mogelijkheden, de vraag is welke vorm(en) het beste bij uw cliënt past.

Bron: Judith Schwartz, Fiduce Pensioenadviseurs

INVESTEREN IN ZONNEPANELEN BLIJFT FISCAAL AANTREKKELIJK (29-08-2019)

De salderingsregeling voor zonnepanelen wordt tot 1 januari 2023 voortgezet. Dit hebben minister Wiebes van Economische Zaken en Klimaat en staatssecretaris Snel van Financiën besloten. Door dit besluit blijft het voor huishoudens en mkb-bedrijven fiscaal aantrekkelijk om te investeren in zonnepanelen.

Looptijd salderingsregeling met drie jaar verlengd
De salderingsregeling houdt in dat eigenaren van zonnepanelen de stroom die zij met zonnepanelen opwekken en terugleveren aan het net, kunnen aftrekken van hun eigen energieverbruik. Hierdoor besparen zij op hun energiebelastingen. De salderingsregeling zou per 1 januari 2020 worden afgeschaft, maar nu is besloten om de looptijd van de regeling met drie jaar te verlengen.

Vanaf 2023 geleidelijk afbouwen

Vanaf 1 januari 2023 wordt de salderingsregeling geleidelijk afgebouwd. Dit betekent dat het voordeel op de energiebelastingen voor huishoudens en bedrijven dan elk jaar minder wordt, totdat dit voordeel in 2031 nihil is.

Zonnepanelen worden steeds goedkoper
Vanaf 2031 krijgen eigenaren van zonnepanelen uitsluitend een vergoeding van de energieleverancier voor de teruggeleverde stroom. Maar volgens de betrokken ministeries is het ook dan nog aantrekkelijk om zonnepanelen te installeren, aangezien deze steeds goedkoper worden.

Meter met dubbel telwerk nodig

De geleidelijke afbouw van de salderingsregeling brengt met zich mee dat het straks voor de Belastingdienst noodzakelijk is dat eigenaren van zonnepanelen beschikken over een meter die de levering en teruglevering van energie afzonderlijk kan meten. Dit wordt een meter met een dubbel telwerk genoemd. Vanaf 1 januari 2023 moeten huishoudens en mkb-bedrijven met zonnepanelen verplicht over zo’n meter beschikken.

Bron: ministerie van economische zaken en klimaat

SCHULDEISERS EN KENNELIJK ONBEHOORLIJK BESTUUR (29-08-2019)

Als geen afdracht van aangegeven loon- en omzetbelasting plaatsvindt, worden aan de vennootschap naheffingsaanslagen opgelegd. Als deze naheffingsaanslagen onbetaald blijven en een melding van betalingsonmacht wordt gedaan, is het voor de ontvanger de vraag of de bestuurder aansprakelijk kan worden gesteld voor de onbetaald gebleven schulden op grond van art. 36 Invorderingswet.

Indien tijdig een melding betalingsonmacht is gedaan en over de juistheid van de ingediende aangiften geen twijfel bestaat, is het aan de ontvanger het kennelijk onbehoorlijk bestuur te bewijzen. Een aangrijpingspunt voor de ontvanger is dan vaak dat andere schuldeisers wel worden voldaan. Zoals hieronder wordt toegelicht, is die (blote) stelling onvoldoende voor kennelijk onbehoorlijk bestuur.

Andere schuldeisers eerst
Op het moment dat andere schuldeisers boven de (preferente) fiscus worden voldaan, wil de ontvanger weleens stellen dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Soms in eerste instantie ook niet zonder succes. In de zaak die in deze column als voorbeeld wordt genomen dateert de uitspraak van de rechtbank van 16 juli 2013 en heeft de Hoge Raad al een tweede keer moeten casseren, waarbij de aansprakelijkstelling (deels) in stand was gelaten. De Hoge Raad heeft nu op 12 april 2019 opnieuw moeten casseren. De Hoge Raad verwijst de zaak voor een nader onderzoek naar het verwijt dat de bestuurder al dan niet gemaakt zou kunnen worden (HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:576).

De cassatie heeft betrekking op de uitspraak van Hof Arnhem van 13 februari 2018, waarbij de bestuurder aansprakelijk werd gehouden voor onbetaalde schulden (ECLI:NL:GHARL:2018:1462). Het hof koppelde daaraan drie overwegingen:
1.In de periode van 31 juli 2018 tot 9 december 2018 (datum faillissement) werden met de van [C] ontvangen betalingen bij voorrang de voor de voortzetting van de bedrijfsvoering essentiële relaties (dwangcrediteuren) betaald, zoals de bank, de werknemers, de brandstofleverancier en de ingehuurde transporteurs. Door deze betalingen te doen met voorrang boven de betaling van uit die voortzetting voortvloeiende belastingschulden, heeft belanghebbende als bestuurder bewerkstelligd dat die belastingschulden onbetaald zijn gebleven.
2.Tegen de achtergrond van de verlieslatende exploitatie had belanghebbende redelijkerwijs moeten begrijpen dat door de bedrijfsvoering voort te zetten en daarbij andere crediteuren dan de Belastingdienst met voorrang te betalen, de door die voortzetting opgeroepen belastingschulden onbetaald zouden blijven.
3.Aan belanghebbende kan ter zake persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt. Het bij voorrang betalen van andere crediteuren berustte op een vrije keuze van belanghebbende. Hij was van alle betalingen op de hoogte en hij was ook in de gelegenheid de betalingen aan derden te blokkeren.

Persoonlijk verwijt
De vrije keuze van belanghebbende wordt door het Hof als persoonlijk verwijt bestempeld. Daarmee heeft het hof miskend dat die vrijheid een eigen afweging te maken nu juist het uitgangspunt is, zoals de Hoge Raad al eerder heeft onderstreept.

Algemene rechtsregel Hoge Raad

De Hoge Raad herhaalt in overweging 3.5.1. nog eens dat er geen algemene regel is dat steeds onrechtmatig zou worden gehandeld indien de schuldenaar een schuldeiser voldoet voor andere schuldeisers. Hij hoeft daarbij ook geen rekening te houden met preferenties.
•Het staat (een bestuurder van) een vennootschap dan ook in beginsel vrij op grond van een eigen afweging te bepalen welke schuldeisers in de gegeven omstandigheden worden voldaan (HR 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9654).
•Indien dat besluit ertoe leidt dat de belastingschulden niet of niet bij voorrang worden betaald kan die afweging slechts tot kennelijk onbehoorlijk bestuur leiden indien geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden dezelfde afweging had gemaakt. Een afweging als deze wordt niet gemaakt indien de bestuurder bewerkstelligt dat belastingschulden onbetaald blijven, terwijl hij weet of redelijkerwijze had moeten begrijpen dat zijn handelwijze tot gevolg zou hebben dat die belastingschulden onbetaald zouden blijven en hem persoonlijk een ernstig verwijt treft (HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:530).

De Hoge Raad maakt in overweging 3.5.2. wel duidelijk dat de vrijheid beperkter is indien de vennootschap heeft besloten haar activiteiten te beëindigen. In dat geval staat het in beginsel niet vrij gelieerde vennootschappen met voorrang te betalen, tenzij daarvoor een bijzondere rechtvaardiging is. Datzelfde geldt voor niet-gelieerde schuldeisers als de bestuurder bij die betaling een persoonlijk belang heeft.

Zal deze zaak bij verwijzing naar Hof Den Haag – als derde hof – nu alsnog tot een vernietiging van de beschikking aansprakelijkstelling leiden? Driemaal is scheepsrecht.

Bron: Elsevier Nextens

ANBI’S HUIVERIG VOOR AUTOMATISCH DOORGEVEN DONATIES AAN FISCUS (19-07-2019)

Het scheelt veel werk voor belastingplichtigen en de Belastingdienst als donaties aan goede doelen alvast zijn ingevuld in de belastingaangifte. De ontvangende organisaties zijn echter huiverig voor gegevensuitwisseling. Desalniettemin is er een proef gestart voor automatische doorgifte van gegevens aan de fiscus. Vier à vijf goededoelenorganisaties werken hieraan mee. Welke organisaties het precies zijn, is niet bekendgemaakt. In de pilot wordt geen persoonsinformatie aan de fiscus verstrekt. Dat schrijft het FD.

Bereidheid om te doneren
Goede doelen vrezen dat de bereidheid om te doneren afneemt als de giften automatisch bij de Belastingdienst belanden. De sector wil garanties dat de anonimiteit van de donateurs gewaarborgd is als die niet gebruikmaken van de giftenaftrek. Bovendien betekent structurele doorgifte een extra administratieve last voor meer dan 40.000 erkende ANBI’s (Algemeen Nut Beogende Instellingen).

Giften in vooringevulde belastingaangifte
De fiscus wil de informatie van de ontvangende organisaties gebruiken voor controle op de giftenaftrek. Die vindt nu uitsluitend plaats op basis van gegevens die donateurs verstrekken. Controle is lastig, omdat contra-informatie ontbreekt, stelt staatssecretaris Snel van Financiën. Aanlevering van donaties door goede doelen zorgt er volgens de Belastingdienst op termijn voor dat aftrekbare giften meegenomen kunnen worden in de vooringevulde belastingaangifte.

Evaluatie ANBI-regeling
De automatische uitwisseling van gegevens is één van de aanpassingen die Snel voorstelt en vloeit voort uit evaluaties van de giftenaftrek en de ANBI-regeling. De regeling kost de schatkist zo’n 350 miljoen euro per jaar, maar het is onduidelijk in hoeverre de aftrek de geefbereidheid vergroot. Tegenstanders vinden het bovendien principieel onjuist dat het geld dat donateurs weggeven, via de aftrek deels uit de staatskas komt. Het kabinet wil de aftrek handhaven, maar vindt aanpassingen noodzakelijk.

Fouten in aangiften
De aangifte van donaties gaat nu nog vaak mis, omdat belastingplichtigen donaties opgeven aan organisaties die geen ANBI zijn, of vullen de naam van een erkend goed doel verkeerd in. Om de aangifte te vereenvoudigen belooft Snel het huidige vrije invulveld te vervangen door een ‘slim’ invulveld. Daarin hoeven erkende ANBI’s slechts te worden aangeklikt.

Contante giften niet aftrekbaar
Om de kans op fraude te verkleinen wil Snel de aftrekbaarheid van contante giften schrappen. De sector heeft te kennen gegeven hier geen problemen mee te hebben. Voor contante donaties moeten gevers nu nog kwitanties overleggen. De fiscus is de laatste jaren een aantal omvangrijke fraudezaken met kwitanties op het spoor gekomen.

Giften herroepen
Donateurs kunnen soms giften herroepen. Hier ligt ook fraude op de loer. In veel gevallen zijn er legitieme redenen om te herroepen, bijvoorbeeld als het project, waarvoor de gift bestemd was, niet is uitgevoerd. Het komt ook voor dat donateurs het ene jaar een forse gift opvoeren voor belastingaftrek en die het volgende jaar herroepen zonder dit door te geven aan de fiscus. Nu is afgesproken dat goede doelen substantiële giften, die zonder reden worden herroepen, eerder zullen melden bij de Belastingdienst.

bron: FD

MASSALE SCHENDING PRIVACYREGELS BIJ 'NO DEAL'-BREXIT DREIGT VOOR MKB (19-07-2019)

Een ‘no deal’-brexit heeft direct gevolgen voor hoe ondernemingen persoonsgegevens verwerken. Veel mkb-bedrijven beseffen niet dat ze aparte contracten nodig hebben bij het delen van zulke data met Britse bedrijven en dat kan hoge boetes opleveren, schrijft het FD.

Het ‘onlinehuishouden’
Nederlandse ondernemers lijken goed geïnformeerd over de meest urgente problemen als de brexit uitloopt op een scheiding zonder afspraken. Ze beseffen dat er rijen ontstaan voor de douane en dat ze rekening moeten houden met grote vertragingen, aldus een woordvoerder van de werkgeversorganisatie VNO-NCW.

De gevolgen voor het ‘onlinehuishouden’ zijn minder bekend blijkt op de bijeenkomsten die VNO-NCW en MKB-Nederland organiseren voor hun leden. De verwerking van persoonsgegevens bij een ‘no deal’ moet anders worden geregeld. Bijvoorbeeld gegevens die Nederlandse bedrijven nu nog ongehinderd uitwisselen met hun Britse vestigingen of die ze in een Brits datacentrum bewaren. Maar ook voor het uitbesteden van salaris- of personeelsadministratie aan een bedrijf in het Verenigd Koninkrijk veranderen de regels.

De regeling die voor de hele Europese Unie bepaalt hoe persoonsgegevens worden beschermd, dekt bij een ‘no deal’-brexit niet langer het Verenigd Koninkrijk. Europese bedrijven die dan nog niet in aparte contracten hebben vastgelegd welke persoonsgegevens ze delen met het VK, en voor welk doel, overtreden dan de regels. Dat kan leiden tot hoge boetes. De Autoriteit Persoonsgegevens maakte onlangs bekend dat ze €525.000 kan opleggen bij dit soort overtredingen.

Europese privacyregels

Met een brexit met deal, is er voorlopig geen vuiltje aan de lucht. In dat geval beschouwt de Unie het VK nog tot eind 2020 als een land dat burgers en bedrijven adequate bescherming biedt.

Bij een brexit zonder deal ligt dat helemaal anders. De Britse overheid zelf meent dat ze alles goed heeft afgedekt. Ze accepteert de Europese dataregeling als een veilige norm voor bescherming. Daarom mogen Britse bedrijven ook bij een ‘no deal’ persoonsgegevens blijven uitwisselen met de 27 resterende EU-landen, IJsland, Liechtenstein en Noorwegen. Maar over de stroom data die de andere kant op gaat heeft ze niets te zeggen.

Hoewel de Britse overheid ook bij een ‘no deal’ de Europese privacyregels overneemt, trekt de EU op dit punt een harde lijn. Een ‘no deal’ dwingt het VK in een procedure waarin moet worden vastgesteld of het land de persoonsgegevens voldoende beschermt, aldus het FD.

Bron: FD

BTW TER ZAKE VAN CATERINGKOSTEN (04-07-2019)

Op grond van de Wet op de omzetbelasting (hierna: Wet OB) geldt een aftrekbeperking voor de btw op de kosten van cateringdiensten. Ik vind het verrassend dat bij velen niet bekend is dat deze regeling (in beginsel) ook van toepassing is als de kosten worden doorbelast. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft in dit kader recentelijk een uitspraak gedaan. Een goed moment om de aftrekbeperking eens nader te bekijken.

De aftrekbeperking
In artikel 15, lid 4 Wet OB is geregeld dat de btw niet aftrekbaar is bij het verstrekken van spijzen en dranken binnen het kader van het hotel, café, restaurant of aanverwant bedrijf, aan personen die daar voor een korte periode verblijven. Hieruit volgt dat de btw ter zake van cateringkosten nooit aftrekbaar is. Ook niet als deze kosten zakelijk zijn. De aftrekbeperking geldt overigens alleen als sprake is van gebruik ter plaatse. Dit wil zeggen dat de aftrekbeperking niet geldt als het eten wordt afgehaald.

Uitspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In de zaak die was voorgelegd aan de Rechtbank Zeeland-West-Brabant ging het om een voetbalorganisatie die tegen betaling business seats ter beschikking stelde. De afnemers konden in dit kader gebruik maken van cateringdiensten. De voetbalorganisatie schakelde hiervoor een externe cateraar in. De cateringkosten werden (niet afzonderlijk) doorbelast aan de afnemers. De voetbalorganisatie heeft de btw van de cateringkosten in aftrek gebracht. In geschil is of de voetbalorganisatie de btw al dan niet terecht in aftrek heeft gebracht.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat artikel 15, lid 4 Wet OB van toepassing is en de btw op de cateringkosten daarom niet aftrekbaar is. De voetbalorganisatie stelt zich op het standpunt dat artikel 15, lid 4 Wet OB niet van toepassing is, omdat geen sprake is van het verstrekken aan personen. Volgens de voetbalorganisatie moet het begrip “verstrekken aan personen” zoals bedoeld in artikel 15, lid 4 Wet OB worden beperkt tot degenen die spijzen en dranken afnemen én consumeren. Aangezien niet de voetbalorganisatie maar de business seats houders de spijzen en dranken consumeren is de voetbalorganisatie van mening dat de aftrekbeperking niet van toepassing is.

De rechtbank oordeelt dat voor toepassing van de aftrekbeperking niet is vereist dat de voetbalorganisatie tevens degene is die de spijzen en dranken consumeert. De aftrek is derhalve ten onrechte geclaimd. Het feit dat in dit geval dubbele heffing optreedt is volgens de rechtbank een bewuste keuze van de wetgever.

Voorkom dubbele heffing
Het niet in aftrek kunnen brengen van btw ter zake van cateringkosten, maar deze wel met btw doorbelasten betekent dat er dubbele heffing optreedt. De Belastingdienst is hiermee bekend en vindt dit een onwenselijk gevolg. Daarom is er goedkeurend beleid. Op grond van het goedkeurende beleid kan de btw toch in aftrek worden gebracht onder de voorwaarde dat de horecaverstrekking afzonderlijk in rekening wordt gebracht en expliciet wordt vermeld dat de btw niet aftrekbaar is.

Het doel van de aftrekbeperking is mij niet geheel duidelijk. Er wordt regelmatig geschreven dat het doel is dat consumptie wordt belast en bij cateringdiensten sprake is van consumptie. Opmerkelijk is dat bij het afhalen van spijzen en dranken, waar ook sprake is van consumptie, in beginsel geen aftrekbeperking geldt. Het lastige is dat de aftrekbeperking wettelijk is geregeld en op grond van de btw-richtlijn ook door een lidstaat mag worden ingevoerd.

Door te voldoen aan de voorwaarde kan op eenvoudige wijze ervoor worden gezorgd dat er geen sprake is van een onnodige aftrekbeperking. Ondanks dat ik het maar een bijzondere aftrekbeperking vind, is voorkomen altijd beter dan genezen. Door tijdig goed de btw-positie te bekijken, kunnen dergelijke situaties worden voorkomen.

Bron: Najat Idrissi, Advocaat en Btw-deskundige bij De Haas Advocaten

AANGIFTE INKOMSTENBELASTING 2018 ZELFS VOOR EIGENWONINGEXPERTS EEN UITDAGING (28-06-2019)

Waar de slogan van de Belastingdienst “Leuker kunnen we het niet maken, wel makkelijker” in het verleden nog wel eens van toepassing was, gaat deze voor de eigenwoningregeling al lange tijd niet meer op. De continue wijzigingen in de eigenwoningregeling hebben deze regeling de afgelopen jaren zeer complex gemaakt. Door de invoering van het nieuwe huwelijksvermogensrecht per 1 januari 2018 en de samenhang daarvan met de fiscale regeling kan de aangifte inkomstenbelasting 2018 zelfs voor eigenwoningexperts een uitdaging worden!

Poll Forum Fiscaal Dienstverleners
Dat een groot deel van de fiscaal dienstverleners de eigenwoningregeling niet goed beheerst, blijkt uit een poll die vorig jaar door de redactie van het Forum Fiscaal Dienstverleners werd gehouden. In de poll werd aan de hand van een praktijkvoorbeeld de kennis van de forumleden over de bijleenregeling en eigenwoningreserve getest. De uitslag was schokkend: slechts 27% van de 247 forumleden die aan de poll meededen, koos voor het juiste antwoord.

Masterclass Eigen Woning
Enige maanden geleden nam ik deel aan een masterclass Eigen Woning. De 10 deelnemers die aanwezig waren, zijn allen adviseurs die vaak met de eigenwoningregeling te maken hebben. Toch bleek tijdens de cursus dat de aanwezige ‘eigenwoningexperts’ soms ook het overzicht in de complexe regeling kwijt zijn. Zo had een aantal niet scherp dat het gewijzigde huwelijksvermogensrecht tot onbedoelde gevolgen voor de eigenwoningregeling kan leiden. En ook het effect van de goedkeuring van de Staatssecretaris in zijn Besluit van 30 januari 2018 was voor de meesten een eye-opener.

Nieuw huwelijksvermogensrecht
Vanaf 1 januari 2018 geldt het nieuwe huwelijksvermogensrecht. De beperkte gemeenschap van goederen is vanaf die datum het uitgangspunt. Het voorhuwelijkse privévermogen blijft tot het privévermogen van de echtgenoten behoren. Tot de beperkte gemeenschap behoren de goederen die afzonderlijk of gezamenlijk tijdens het huwelijk zijn verkregen en de goederen die voor het huwelijk aan de partners gezamenlijk toebehoorden, alsmede de schulden die met deze goederen samenhangen.

De gezamenlijke (voorhuwelijkse) eigen woning en daarmee samenhangende schuld vallen dus bij een huwelijk vanaf 2018 in de “nieuwe” gemeenschap. De gerechtigdheid wordt van rechtswege 50/50, zowel voor de eigendom van de woning als voor de eigenwoningschuld. Indien men hiervan wil afwijken, zullen huwelijkse voorwaarden moeten worden opgesteld.

Besluit Staatssecretaris van 30 januari 2018
Op grond van het huwelijksvermogensrecht valt de gezamenlijke eigenwoningschuld dus in de gemeenschap. Aangezien het eigenwoningverleden van iedere partner een voorhuwelijkse aangelegenheid betreft, blijft dit privé. De Staatssecretaris heeft geconstateerd dat de toepassing van de eigenwoningregeling in deze situatie tot een ongewenste uitkomst leidt. Om die reden heeft hij in zijn Besluit van 30 januari 2018 goedgekeurd dat het eigenwoningverleden van beide partners bij helfte wordt verdeeld over beide partners om daarna de individuele eigenwoningschuld en het eigenwoningverleden te bepalen.

Door in de aangifte inkomstenbelasting de eigenwoningreserve en de eigenwoningrente op te nemen op de manier zoals in het besluit staat aangegeven, wordt ‘automatisch’ een beroep op de goedkeuring van de Staatssecretaris gedaan. Deze toepassing blijft echter in de toekomst ook gelden, waardoor de overdracht van het eigenwoningverleden van de ene naar de andere partner onherroepelijk is.

Conclusie
Met de komst van het nieuwe huwelijksvermogensrecht per 1 januari 2018 en het Besluit van 30 januari 2018 zijn nog meer valkuilen in de eigenwoningregeling ontstaan. Wees bij het opstellen van de aangifte inkomstenbelasting van uw cliënten alert als zij gezamenlijk een woning hebben gekocht en gezamenlijk de eigenwoningschuld zijn aangegaan, terwijl ten minste één van hen voorafgaand aan die aankoop een eigenwoningverleden had. Leuker kunnen ze het niet maken, maar wat de eigenwoningregeling betreft toch zeker wel een stuk makkelijker!

Bron: drs. J. Zwarthoed-Tol, belastingadviseur bij Contaxus Belastingadviseurs en Accountants |

OVERWERK COMPENSEREN DOOR MIDDEL VAN TIJD VOOR TIJD: GEEN VRIJHEID BLIJHEID (28-06-2019)

Een werkgever is waarschijnlijk tevreden met een werknemer die regelmatig bereid is om overwerk te verrichten. De werknemer kan hiervoor op verschillende manieren worden beloond. Een veel gebruikte vorm van compensatie is een tijd-voor-tijd-regeling. Vanaf 1 januari 2019 is compensatie door middel van tijd voor tijd echter niet altijd meer mogelijk. Dit geldt met name voor werknemers die (niet veel meer dan) het minimumloon verdienen.

In cao geregeld?
Compensatie door middel van tijd voor tijd is vanaf 1 januari 2019 nog wel mogelijk als dat in een cao is geregeld. Denk bijvoorbeeld aan de cao voor de horeca, in welke branche het gebruikelijk is om te werken met min- en meeruren.

Staat er niets over tijd voor tijd in de cao vermeld en verdient een werknemer (niet veel meer dan) het minimumloon, dan is het compenseren door middel van tijd voor tijd alleen toegestaan indien de werknemer binnen één betaalperiode gemiddeld meer verdient dan het minimum uurloon. Dit betekent dat compensatie door middel van tijd voor tijd wel is toegestaan binnen één betaalperiode. Het bruto uurloon per betaalperiode dient te worden berekend door het brutosalaris te delen door alle gewerkte uren in die betaalperiode (dus inclusief de meeruren waarvoor eigenlijk een tijd-voor-tijdregeling geldt). Indien de uitkomst van deze berekening lager is dan het minimum uurloon, dan is het compenseren door middel van tijd voor tijd niet toegestaan en dienen die meeruren aan de werknemer te worden uitbetaald.

Voorbeeld berekening
Een werknemer (22 jaar of ouder en zonder cao) verdient € 1.700,00 bruto per maand bij een werkgever met een 40-urige werkweek. De normale arbeidsduur per maand zou in dat geval 173,3 uur bedragen ((40*52)/12). Deze werknemer verdient dan (1.700/173,3) € 9,81 bruto per uur. Dit is meer dan het minimum uurloon dat in dit geval € 9,33 bruto per uur bedraagt. Stel dat deze werknemer in één maand tien overuren heeft gemaakt. Als deze uren worden vergoed door middel van tijd voor tijd, dan bedraagt zijn uurloon (1.700/183,3) € 9,27 bruto per uur, hetgeen dus minder is dan het minimum uurloon en daarom niet is toegestaan.

Misbruik voorkomen versus rompslomp
Laten we voorop stellen dat de invoering van voornoemde regeling een zeer belangrijk doel dient, namelijk het voorkomen van het maken van misbruik door onderbetaling van werknemers. Er zijn echter ook enkele kanttekeningen te maken.

Zo brengt de invoering van deze regeling een administratieve rompslomp voor de werkgever met zich mee. De werkgever dient namelijk het minimumloon voor alle werknemers inzichtelijk te hebben, moet daarnaast per werknemer goed bijhouden wat hij feitelijk heeft verdiend en hoeveel hij heeft overgewerkt en dat alles iedere betaalperiode opnieuw. Een goede administratie is dus van wezenlijk belang voor de werkgever. De sanctie op overtreding van de regels kan namelijk een (aanzienlijke) boete van de Inspectie SZW zijn.

Daarnaast is de regeling, zoals die geldt met ingang van 1 januari 2019, bedoeld ter bescherming van werknemers met kleine contracten en oproepkrachten. Er is echter geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat deze groep werknemers wellicht ook werknemers bevat die juist een ruime mate van flexibiliteit wensen te behouden en dus de voorkeur geven aan compensatie door middel van tijd voor tijd. Voor 1 januari 2019 was het nog mogelijk om in de individuele arbeidsovereenkomst overeen te komen dat overwerk werd vergoed volgens het principe tijd voor tijd. Dat is vanaf 1 januari 2019 niet meer mogelijk, zodat de contractsvrijheid voor zowel werkgever als werknemer is ingeperkt.

Onderbetaling ligt nog steeds op de loer

Het is de vraag of de invoering van de regeling met betrekking tot tijd voor tijd positief ontvangen zal worden of juist tot onrust zal leiden. Het doel van de regeling is evident en zal naar alle waarschijnlijkheid ook voor velen te begrijpen zijn. Echter de meerderheid van de werknemers die door deze regeling wordt beschermd, zal niet op de hoogte zijn van de nieuwe regelgeving, waardoor onderbetaling nog altijd op de loer ligt. Om een onaangename verrassing van de Inspectie SZW te voorkomen, is het belangrijk om te zorgen dat de afspraken duidelijk zijn voor zowel de werkgever als de werknemer en dat deze voldoen aan de wet.

Bron: Daniëlle Boons, HRM Juridisch Adviseur bij Bos Adviesgroep B.V.

FINANCIERING VIA CROWDFUNDING? DENK OOK AAN DE FISCALE CONSEQUENTIES (24-05-2019)

Veel mkb-bedrijven kloppen aan bij een bank als ze bedrijfsfinanciering zoeken. Als deze echter geen lening verstrekt, wordt er vaak gedacht dat er geen andere opties zijn. Ondernemers zijn echter niet zo afhankelijk van de bank als zij denken.

Sinds de financiële crisis zijn banken terughoudender geworden met het verstrekken van leningen aan kleine en middelgrote bedrijven. Deze bedrijven zouden er veel profijt van kunnen hebben om zich te verdiepen in alternatieve financieringsmogelijkheden.

Geld ophalen bij het publiek
Een van deze alternatieve financieringsmogelijkheden is crowdfunding, waarmee direct geld wordt opgehaald bij het publiek. Crowdfunding komt ook weer in verschillende vormen voor, denk aan donaties, reward, equity en leningen. Hieronder een korte uitleg van deze vormen:
•Donatie: De donaties komen ten gunste van het doel wat de onderneming of stichting beoogt. Soms wordt hierbij ook een geschenkje gegeven.
•Reward: Dit wordt vooral ingezet door startende ondernemers die financiële middelen nodig hebben voor de lancering van een nieuw product of een nieuwe dienst. Deze vorm is niet erg geschikt voor investeerders die geld willen verdienen, omdat het vooral draait om het mogelijk maken van de innovatie. De investeerders krijgen voor hun donatie een beloning, wat zich in allerlei vormen kan uiten.
•Equity: Via deze vorm van financiering investeert het publiek direct in het bedrijf, in ruil voor aandelen. Aangezien investeerders meestal eerst resultaten willen zien voordat zij aandelen kopen, wordt deze vorm van financiering normaal gesproken gebruikt voor meer ontwikkelde projecten of voor bestaande bedrijven.
•Leningen: Ondernemers kunnen leningen ontvangen via crowdlending. Via deze manier van financiering lenen zij geld van het publiek via een onderhandse lening. De individuen en/of bedrijven die het geld verstrekken, ontvangen rente op hun investering.

Leningen populairste vorm
Bedrijven die financiering zoeken en kiezen voor crowdfunding, gaan in 90 procent van de gevallen voor de leningvorm. Daarom spreken we met Jeroen ter Huurne, algemeen directeur bij Collin Crowdfund. Ter Huurne komt uit het bankwezen en trok hier de conclusie dat relatief kleinere mkb-ondernemingen voor de bank vaak minder interessant zijn om te financieren. Hier wil hij met het crowdfunding-platform een alternatief voor bieden. Collin Crowdfund verstrekt, in samenwerking met bijna 17 duizend investeerders, leningen aan het mkb.

Door investeerders en bedrijven bij elkaar te brengen en daarbij de leningaanvragen goed door te lichten, wil Ter Huurne mkb-ondernemingen meer kansen bieden tot het krijgen van een lening, en ondertussen de risico’s voor de investeerders zo laag mogelijk houden. “We raden onze investeerders aan om hun budget (en daarmee hun risico) over meerdere projecten te spreiden. Gemiddeld behalen zij zo 4 procent rendement.”
Voordelen en risico’s van crowdfunding

Voor de investeerder kan crowdfunding interessant zijn vanwege het rendement. Hier tegenover staat wel dat crowdfunding risicovol is. De kans bestaat dat de onderneming die gefinancierd wordt, het niet overleefd. Voor de onderneming is crowdfunding interessant, omdat de lening doorgaans makkelijker verstrekt wordt dan bij een bank, maar daarnaast fungeert het ook als een marketinginstrument en krijgt de ondernemer de mogelijkheid om de markt te ‘testen’. Daar staat wel tegenover dat de rente hoger ligt dan bij een banklening. Bij Collin Crowdfund ligt de rente gemiddeld op 7,75 procent.

Fiscale consequenties
Voor de ontvangende partij moet de lening opgegeven worden in box 3. Maar wat betekent crowdfunding verder nog voor de btw en voor de belastingaangifte van de investeerder?
•Donatie: Voor de investeerder is deze donatie over het algemeen niet fiscaal aftrekbaar. Alleen wanneer het om een Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI) gaat, kan in sommige gevallen gebruik gemaakt worden van de belastingvoordelen. Let op: bij donaties kan de investeerder ook te maken krijgen met schenkbelasting.
•Reward: Hierbij koopt de investeerder in feite een product. Daarmee wordt het box 3-vermogen verminderd. Voor de ondernemer betekent het dat over de hele order 21 procent btw betaald moet worden, ongeacht of het product al is geleverd.
•Equity: Bij aandelen geldt dat wanneer de investeerder een aanmerkelijk belang heeft (5 procent of meer) dat de aandelen dan in box 2 vallen. Dividend en verkoopwinsten zijn dan belast met 25 procent inkomstenbelasting. Als er minder dan 5 procent geïnvesteerd is, dan vallen de aandelen in box 3. Er hoeft dan geen belasting over dividend en winst betaald te worden. Wel geldt er ieder jaar vermogensrendementsheffing over de waarde van de aandelen. Een verlies op de aandelen is niet aftrekbaar.
•Lening: Als u als particulier een lening verstrekt aan een ondernemer, dan moet deze in box 3 opgegeven worden bij de aangifte inkomstenbelasting. U vult in wat het saldo van de lening is per 1 januari van het jaar waarover de belastingopgave wordt gedaan. De rente hoeft niet opgegeven te worden, alleen als deze op uw bankrekening wordt gestort. Over de lening moet wel jaarlijks vermogensrendementsheffing worden betaald. Voor bedrijven die in het kader van hun onderneming handelen, vormt het uitgeleende bedrag een vordering die op de balans gezet moet worden. Ontvangen rente behoort tot het resultaat. De kosten, zoals de administratiefee, zijn aftrekbaar. Voor IB-ondernemers wordt de winst belast in box 1 en voor BV’s valt dit onder de vennootschapsbelasting. Als de lening onverhoopt niet kan worden afgelost, kan dit afgetrokken worden van de winst.

Oninbaarheid openstaande leningen
Ter Huurne: “Mijn gouden tip is om bij de portefeuillewaarde rekening te houden met oninbaarheid van de openstaande leningen. Het kan namelijk zijn dat de verwachting is dat een deel van de leningen niet wordt terugbetaald. Dit hoeft dan ook niet opgegeven te worden in de belastingaangifte. Het gaat hierbij om een realistische waardering. De norm die wij onze investeerders adviseren is dat bij een achterstand van 45 tot 89 dagen een voorziening van 25 procent aangehouden kan worden. Bij 90 tot 179 dagen is dit 50 procent, bij 180 tot 364 dagen 75 procent en vanaf 365 dagen 100 procent.”

Bron: Elsevier Nextens

AANVRAAG COMPENSATIEREGELING TRANSITIEVERGOEDING MOGELIJK VANAF 2020 (24-05-2019)

Heeft u of uw klant een werknemer ontslagen vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid? Was die werknemer bij het beëindigen van het dienstverband nog arbeidsongeschikt en is er een transitievergoeding betaald? Dan kunt u met terugwerkende kracht compensatie aanvragen voor deze vergoeding. Dit kan bij dienstverbanden die zijn beëindigd vanaf 1 juli 2015. De Wet compensatie transitievergoeding maakt dit vanaf 1 april 2020 mogelijk.

Compensatie
Op het moment dat de regeling ingaat kan de compensatie aangevraagd worden. Het UWV vraagt documenten mee te sturen, waarmee aangetoond wordt dat de werkgever het dienstverband heeft beëindigd, plus de documenten met de redenen. Denk bijvoorbeeld aan de ontslagvergunning en de beëindigingsovereenkomst.

Transitievergoeding
Ook vraagt het UWV documenten die aantonen er een transitievergoeding is betaald, zoals gegevens die gebruikt zijn om de hoogte van de transitievergoeding te berekenen en bewijs van betaling van de totale transitievergoeding.

Bewaar alle documenten
Het is van belang dat alle documenten die gepaard zijn gegaan met het ontslag, bewaard blijven. Het is namelijk nog niet bekend welke documenten precies nodig zijn voor de aanvraag. Medische gegevens, zoals de aard van de ziekte, zullen echter niet opgevraagd worden door het UWV.

Bron: UWV

FISCUS MOET BSN VAN ZZP’ER VOOR 2020 UIT HET BTW-NUMMER HALEN (04-04-2019)

De Belastingdienst redde het vorig jaar niet om het burgerservicenummer (bsn) voor 1 januari 2019 uit het btw-nummer van zzp’ers te halen. Door de rechtbank van Amsterdam is de eis op tafel gelegd om dat voor 1 januari 2020 wel gerealiseerd te krijgen. Daarmee lijkt de Autoriteit Persoonsgegevens aan het langste eind te trekken in het geschil met het ministerie van Financiën. Dat schrijft het FD.

Verwerkingsverbod
Afgelopen december legde de Autoriteit Persoonsgegevens een verwerkingsverbod op aan minister Wopke Hoekstra van Financiën. Hij wordt door de gegevensbeschermingsautoriteit verantwoordelijk gehouden voor het verhoogde risico op identiteitsfraude. Via het btw-nummer kunnen buitenstaanders makkelijk het bsn-nummer achterhalen en misbruiken. De cijferreeks is verwerkt in het btw-nummer van zzp’ers en ondernemers dat op facturen en websites vermeld moet worden.

In strijd met AVG
De advocate, die het de afgelopen jaren in de rechtszaal tegen het ministerie opnam, stelt dat het systeem niet verenigbaar is met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en de Uitvoeringswet AVG (UAVG). Voorheen was dit in strijd met de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Voorzitter Aleid Wolfsen van de Autoriteit Persoonsgegevens gaf eerder al aan dat de Belastingdienst het met voorrang moest oppakken.

Veel verzet
Hoewel de staatssecretaris van Financiën Menno Snel in april 2018 al onderzoek liet doen naar de mogelijkheden om het systeem aan te passen, stuitte hij ook op veel verzet. Tegenstanders binnen het ministerie waarschuwden dat een wijziging de continuïteit van het proces van btw-heffing in gevaar kan brengen.

Nieuwe btw-nummers toekennen
Voor 1 januari 2020 moet de fiscus nu niet alleen zorgen dat het bsn uit het btw-nummer verdwijnt, ook moeten er nieuwe btw-nummers toegekend worden aan de ruim 1,2 miljoen parttime en fulltime zzp’ers in Nederland.

Bron: FD

BOX 3 OP BASIS VAN WERKELIJK RENDEMENT KOMT NIET VAN DE GROND (03-04-2019)

Vermogensrendementsheffing (box 3) op basis van werkelijk rendement, komt voorlopig niet van de grond. In antwoord op Kamervragen geeft staatssecretaris Menno Snel van Financiën aan dat zo’n stelsel verregaande consequenties heeft voor administratieve lasten van burgers, risico’s op belastingontwijking en de uitvoerbaarheid.

Meer tijd nodig
Om die redenen heeft het kabinet meer tijd nodig dan ingeschat in de fiscale beleidsagenda van februari 2018. Daarin schreef de staatssecretaris dat hij in het voorjaar van 2018 de Tweede Kamer zou informeren of het standpunt van het kabinet over een belasting op basis van werkelijk rendement. Die brief is nog niet verstuurd.

Roep om belasting reëel rendement
Er wordt al langere tijd gevraagd om een belasting op basis van het reële rendement. De Bond van Belastingbetalers heeft hier zelfs een procedure voor aangespannen dat uiteindelijk is aangemerkt als een ‘massaal bezwaar’. Bij de invoering van box 3 in 2001 was het uitgangspunt dat particulieren zonder risico 4 procent rendement konden halen. Volgens de bezwaarmakers is 4 procent al jaren niet meer haalbaar.

Veranderingen sinds 2017
Sinds 2017 is de berekening van het fictieve rendement veranderd. Er zijn drie schijven geïntroduceerd, waarbij vanuit wordt gegaan dat er meer rendement op vermogen wordt behaald naarmate er meer vermogen in het spel is. Ook wordt er bij een hoger vermogen vanuit gegaan dat er meer in beleggingen zit, dan dat er gespaard wordt. Bij iedere volgende schijf wordt er daarom een hoger percentage fictief rendement berekend. Daarnaast is het heffingsvrije vermogen per 2018 verhoogt van 25.000 naar 30.000 euro.

Bron: Tweede Kamer

SPOEDREPARATIE FISCALE EENHEID: VAN KROONJUWEEL TOT ROESTIGE KETTING (03-04-2019)

Een uitspraak van de Europese rechter is voor staatssecretaris Snel van Financiën aanleiding om met spoed de regels voor het vormen van een fiscale eenheid aan te passen. Nederlandse bedrijven konden namelijk gebruikmaken van de voordelen van de fiscale eenheid, waar andere Europese bedrijven geen gebruik van konden maken. Dat onderscheid mag niet, oordeelde de rechter. Woensdag werd hierover gesproken in de Tweede Kamer. “De fiscale eenheid: we hebben er net een aantal verschillende kwalificaties van gehoord; van kroonjuweel tot roestige ketting”, sprak staatssecretaris Snel van Financiën tijdens het debat.

Oplossing: beperking fiscale eenheid
Naar aanleiding van het arrest waren er twee keuzes mogelijk. Of het grensoverschrijdend voordeel moest aan ieder Europees bedrijf worden toegekend. Dit zou zorgen voor een flinke budgettaire consequentie voor de overheid en zou leiden tot het eenvoudiger schuiven met vermogen en winsten door internationale ondernemingen. De andere oplossing was het beperken van het voordeel dat aan binnenlandse bedrijven werd gegeven. Uiteindelijk is deze tweede optie gekozen door het kabinet.

Spoedreparatie
Wanneer een bedrijf gebruikmaakt van de fiscale eenheid, behandelt de Belastingdienst het moederbedrijf en het dochterbedrijf als één belastingplichtige. Een belangrijk voordeel voor zowel de ondernemer als de Belastingdienst is dat met het vormen van de fiscale eenheid de administratieve last verlaagd wordt.

Maatregelen
De maatregelen in het wetsvoorstel spoedreparatie fiscale eenheid houden in dat enkele artikelen in de vennootschaps- en dividendbelasting moeten worden toegepast alsof er geen fiscale eenheid is. Concreet gaat het om de artikelen over:
•Anti-winstdrainage
•De regeling voor beleggingsdeelnemingen
•De anti-hybride maatregel in de deelnemingsvrijstelling
•De renteaftrekbeperking voor bovenmatige deelnemingsrente
•Tegengaan handel in verlies- en winstvennootschappen
•De afdrachtvermindering bij dooruitdelingen

Overgangsmaatregel voor mkb
Nederland telt ongeveer 100.000 fiscale eenheden, waarvan ruim twee derde actief is binnen het mkb. De spoedreparatie gaat met terugwerkende kracht in per 1 januari 2018. De staatssecretaris heeft een overgangsmaatregel opgenomen om de pijn voor de grootste groep, het mkb, te verzachten. Dit houdt in dat er een grens is ingesteld van 100.000 euro aan vrijgestelde rentebetalingen voor de verbonden regelingen. Voor ongeveer 12 procent van de bedrijven met een fiscale eenheid zijn er nog steeds aanpassingen nodig naar aanleiding van de spoedreparatie.

Definitieve concernregeling
De staatssecretaris benadrukt dat de spoedreparatiemaatregelen binnen afzienbare tijd zullen worden opgevolgd door een meer definitieve concernregeling. Snel zegt de Kamer toe hier na de zomer op terug te komen.

Bron: Tweede Kamer

STEEDS MEER ZZP’ERS VERDIENEN TE WEINIG OM INKOMSTENBELASTING AF TE DRAGEN (13-03-2019)

Van de 850.000 zelfstandige ondernemers zonder personeel (zzp’ers) betaalde in 2016 bijna 40 procent geen inkomstenbelasting. Zij verdienen simpelweg te weinig. Met 16.000 euro per jaar vallen zij onder de grens waarboven inkomstenbelasting wordt geheven. Als deze groep zzp’ers belasting zou moeten betalen, dan zou hun inkomen al snel niet meer boven de bijstandsgrens uitkomen, waardoor werken nauwelijks nog loont. Dat schrijft het FD op basis van gegevens van het CBS.

Meer zzp’ers zijn minder gaan verdienen
Het aantal zzp’ers groeide tussen 2014 en 2016 met bijna 5 procent. Uit onderzoek van ING blijkt dat er vooral in de sectoren transport en logistiek, zorg en onderwijs meer zelfstandigen bij kwamen. In diezelfde periode nam het aantal zzp’ers, dat geen inkomstenbelasting betaalde, toe met een kleine 12 procent. Die ontwikkeling duidt erop dat meer zzp’ers minder zijn gaan verdienen.

‘Oneerlijk voor mensen in vaste dienst’
Directeur Julius Kousbroek van WePayPeople, een payrollbedrijf dat het CBS de cijfers liet analyseren, ziet de groei niet als een positieve ontwikkeling. “Dat 351.100 ondernemende zelfstandigen geen belastingen betalen en dus niets bijdragen aan onze maatschappelijke voorzieningen, is te gek voor woorden.” Hij noemt de uitkomsten ‘oneerlijk’ voor de mensen die wel in vaste dienst werken. Oneerlijke concurrentie tussen goedkope zelfstandigen en dure werknemers ligt op de loer.

Bron: FD

KLEINE BEDRIJVEN KRIJGEN HET MINST VAAK EXTERNE FINANCIERING (13-03-2019)

Kleine bedrijven krijgen minder vaak financiering voor hun plannen dan grotere bedrijven. Daardoor moeten zij uitwijken naar alternatieve geldschieters. Het CBS meldt op basis van de Financieringsmonitor dat 24 procent van het mkb aangeeft behoefte te hebben aan externe financiering. Van de mkb-bedrijven dat behoefte had aan financiering en hiertoe een aanvraag deed, kreeg 84 procent de financiering ook rond.

Financieringsbehoefte mkb neemt toe met bedrijfsgrootte
De financieringsbehoefte binnen het mkb neemt toe met de bedrijfsgrootte. Bij het microbedrijf (minder dan 10 werkzame personen) heeft 23 procent behoefte aan financiering. Bij het kleinbedrijf (10 tot 50 personen) en het middenbedrijf (50 tot 250 personen) ligt dat met respectievelijk 27 en 31 procent hoger. Het grootbedrijf heeft minder behoefte aan financiering, namelijk slechts 17 procent. Het zijn vooral jonge, snelgroeiende bedrijven en startups die behoefte hebben aan financiering.

Startups vallen vaak af
Van de bedrijven die aangeven een financieringsbehoefte te hebben, verkent 81 procent de mogelijkheden. Twee derde van de laatste groep doet daadwerkelijk een aanvraag voor financiering. Bij de startups zijn de meeste afvallers: meer dan de helft doet geen aanvraag nadat zij zich georiënteerd hebben. Vaak schatten zij hun slaagkans laag in.

Mkb krijgt minder vaak financiering dan grootbedrijf
Van de bedrijven in het mkb die een aanvraag doen voor financiering, slaagt 84 procent erin om de financiering ook daadwerkelijk binnen te halen. Dit is een stuk lager dan bij het grootbedrijf, waar 99 procent van de aanvragen leidt tot financiering. Naast bedrijfsgrootte dragen ook financiële gezondheid en beschikbaarheid van onderpand bij aan de slaagkans. De ICT en zakelijke dienstverlening zijn bedrijfstakken binnen het mkb waar een aanvraag het minst vaak leidt tot financiering.

Traditionele financieringsvormen komen het meest voor
Bij de externe financiering van het mkb komen traditionele vormen, zoals bankleningen (40 procent), leasing (21 procent) en rekeningen-courant (12 procent) het meest voor. Het aandeel van deze traditionele financieringsvormen neemt toe met de bedrijfsgrootte. Kleinere ondernemingen doen het vaakst een beroep op alternatieve financieringsvormen, zoals crowdfunding en informele investeerders, omdat bij deze vormen minder hoge eisen worden gesteld.

Bron: CBS

VERSOBERING SUBSIDIE ZONNEPANELEN EEN JAAR UITGESTELD (26-02-2019)

De versobering van subsidie op zonnepanelen is een jaar uitgesteld. Minister Wiebes van Economische zaken hoopte de regeling per 1 januari 2020 aan te passen, maar geeft aan hiervoor meer tijd nodig te hebben. Dat schrijft het FD.

Grote populariteit
De groeiende vraag naar zonnepanelen zorgde voor een grote populariteit van de subsidieregeling. Deze werd daardoor te duur, vond het kabinet. Nu krijgen zonnepaneelbezitters de stroom die zij terugleveren aan het elektriciteitsnet nog vergoed, inclusief belastingen. In de toekomst is het de bedoeling dat zij voor de geleverde zonnestroom de (veel lagere) kale prijs krijgen. Dit wordt aangevuld met een subsidie, waarvan de hoogte jaarlijks wordt vastgesteld. Hiermee hoopt Wiebes dat de overheid minder kwijt is aan de regeling, maar dat deze toch in zeven jaar terugverdiend kan worden.

Ongeruste reacties
Nadat Wiebes de voornemens had aangekondigd, kreeg hij veel ongeruste reacties van betrokken instanties die vrezen dat de nieuwe regeling problemen zal opleveren. Maandag kondigde hij daarom aan eerst goed te willen onderzoeken hoe de nieuwe regeling ‘zoveel mogelijk doelgroepen’ kan bedienen. Dat vergt extra tijd, waardoor de veranderingen worden uitgesteld tot 1 januari 2021.

Bron: FD

GELD LENEN: LAAGSTE RENTE BIJ PERSOONLIJKE LENING (20-02-2019)

Geld lenen tegen de laagste rente was lange tijd mogelijk met een doorlopend krediet. Deze leenvorm won het qua rente van de persoonlijke lening, waarbij de rente vast staat. Op dit moment is het juist andersom. Consumentensite Wegwijs ziet deze trend bij zowel ING, ABN en Rabobank als bij specifieke aanbieders van leningen. Goed om te weten als je consumptief leent voor het kopen van een nieuwe auto of de verbouwing van je huis.

Zekerheid voor de bank
In normale marktomstandigheden is het logisch dat een variabele rente lager ligt dan de rente op een lening met een vaste rente. De bank heeft namelijk meer zekerheid. Stijgt de marktrente, dan gaat ook de rente die jij betaalt automatisch omhoog. Dit renterisico ligt dus niet bij de bank.

Laagste rente bij persoonlijke lening
Op dit moment is de gemiddelde rente nu lager bij een persoonlijke lening. Hierbij is de rente tijdens de hele looptijd gelijk. Ook het leenbedrag staat vast, terwijl bij een doorlopend krediet eenmaal afgeloste bedragen weer opgenomen kunnen worden.

Verschil door focus op aflossen
Vanuit de overheid en consumentenorganisaties is er veel aandacht voor het terugbrengen van schulden. De persoonlijke lening sluit beter aan op de focus op aflossen. Als klant heb je meer zekerheid over de totale rentelasten tijdens de looptijd. Ook is duidelijk wanneer de volledige schuld is afgelost omdat het niet mogelijk is om tussentijds weer bij te lenen. Geldverstrekkers stimuleren geld lenen tegen een vaste rente door de tarieven lager in te steken.

Doorlopend krediet in de ban
Sommige aanbieders zijn helemaal gestopt met het aanbieden van doorlopend kredieten, waaronder BNP Paribas. In aanvullende voorwaarden van andere geldverstrekkers is ook de rem op schulden terug te zien. Zo mag je bij de Rabobank alleen in de eerste twee jaar eenmaal afgeloste bedragen weer opnemen. Na die tijd dien je de lening verplicht af te lossen tegen een vast maandbedrag.

Een ander voorbeeld is Interbank. Daar mag je €15.000 lenen, met een verplicht maandtermijn van 2 procent. Dit houdt in dat je maandelijks minimaal 2 procent van het openstaande leenbedrag terugbetaald aan rente en aflossing. Deze voorwaarde heeft een snellere aflossingstermijn als doel.

Onderzoek WRR
In opdracht van de minister van Financiën heeft de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) een onderzoek gedaan naar het geldstelsel. Hieruit blijkt onder andere dat er weinig remmen zijn op geldschepping en kredietverlening, met een ongewenst hoog schuldniveau als gevolg. De omvang van de Nederlandse private schulden en de volatiliteit van de kredietverlening leidt volgens WRR tot ongewenste instabiliteit en onevenwichtige economische groei.

Bron: Wegwijs

“KABINET MOET DEZE REGEERPERIODE DE HYPOTHEEKRENTEAFTREK NÓG VERDER BEPERKEN” (20-02-2019)

Het kabinet moet nog deze regeerperiode de hypotheekrenteaftrek verder beperken. Dit is nodig om meer rust te brengen op de onstuimige woningmarkt. Vanwege de lage rente en de hoogconjunctuur is het nu hét moment om door te pakken. Dat stelt Maarten Camps, de hoogste ambtenaar op het ministerie van Economische Zaken en Klimaat in zijn nieuwjaarsartikel in ESB.

Huizenmarkt oorzaak grillige economie
De instabiliteit op de huizenmarkt is volgens Camps de belangrijkste oorzaak van het grillige karakter van de Nederlandse economie. Hij maakt zich daar zorgen over. De sterke conjunctuurschommelingen leiden tot onnodig veel onzekerheid onder burgers en schaden de economische groei. In zijn artikel doet de secretaris-generaal voorstellen om de stabiliteit op de woningmarkt te vergroten, meldt het FD.

Met grotere stappen aftrek afbouwen
De ambtenaar wijst erop dat tijdens de crisis de woningprijzen in reële termen daalden met zo’n 30 procent en de werkloosheid flink opliep. Nu kunnen starters door de sterk gestegen prijzen nauwelijks meer aan een woning komen en is er sprake van krapte op de arbeidsmarkt. Camps is daarom blij dat het kabinet heeft besloten de hypotheekrenteaftrek vanaf 2020 versneld af te bouwen, maar het is tijd om nog grotere stappen te nemen, meent Camps.

Versobering ligt gevoelig

Hij wijst erop dat Nederland een van de weinige landen ter wereld is met een hypotheekrenteaftrek. Hij erkent dat een nieuwe versobering van de fiscale maatregel gevoelig ligt bij de coalitie. Met name de VVD staat niet te springen om in te grijpen.

Zorgen over instabiliteit woningmarkt
Camps is niet de enige die zich zorgen maakt over de instabiliteit op de woningmarkt. Klaas Knot, president van de Nederlandsche Bank, pleitte eind vorig jaar ook voor inperking van de fiscale voordelen. Ook IMF en Oeso dringen hier al langer op aan. Een woordvoerder van Wopke Hoekstra, minister van Financiën, meldt echter dat het kabinet de aftrek al zes keer zo snel als eerder gepland afbouwt.

Bron: FD

CPB: INNOVATIESUBSIDIES BEVOORDELEN GROTE BEDRIJVEN (07-02-2019)

Het innovatiebeleid van de overheid bevoordeelt grote, bestaande bedrijven en zet nieuwkomers op een achterstand. Dat concludeert het Centraal Planbureau op basis van onderzoek. Onderzoeker Bastiaan Overvest stelt dat de twee belangrijkste subsidies van de overheid voor innovatie: de Innovatiebox en de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk (wbso) niet goed aansluiten. Dat schrijft FD.

Intuïtief vernieuwen
“Jonge techbedrijven vernieuwen vaak intuïtief”, stelt Overvest. “Ze experimenteren veel en sturen dan bij en werken samen met andere partijen. Dat staat haaks op de vaak planmatige aanpak van bestaande bedrijven, die bovendien werken met gestructureerde budgetten.”

Liever open data en open samenwerking
Het CPB is vooral kritisch over de Innovatiebox. Afschaffing van deze fiscale maatregel geeft bestaande en nieuwe bedrijven gelijkere kansen. Volgens Overvest doet de overheid er beter aan om het gebruik van open data en open samenwerking te stimuleren.

Innovatiebox voor grote bedrijven
De Innovatiebox verlaagt de winst- of vennootschapsbelasting (vpb) voor zover deze winst uit innovaties komt. Het tarief van de Innovatiebox is momenteel 5 procent, maar wordt per 1 januari 2019 7 procent. In tegenstelling tot de ‘normale’ 35 procent. Vooral grote bedrijven zoals ASML en Booking.com zouden van deze maatregel profiteren.

Bron: FD

OZB STIJGT IN 2019 GEMIDDELD 2,2 PROCENT (07-02-2019)

De onroerendezaakbelasting (ozb) stijgt volgend jaar met gemiddeld 2,2 procent. De belasting die huiseigenaren betalen verschilt sterk per gemeente. In Nijmegen is de ozb maar liefst vier keer zo hoog als in Den Haag. Dat blijkt uit een jaarlijkse steekproef van Vereniging Eigen Huis (VEH) onder 111 gemeenten.

Ozb Cuijk 32 procent hoger
Op de eerste plaats van ozb-stijgers staat de Noord-Brabantse gemeente Cuijk. Hier gaat de ozb met maar liefst 32 procent omhoog. In 2018 steeg de ozb in deze gemeente ook al met 12 procent. Hierdoor betaalt een huiseigenaar in twee jaar tijd gemiddeld 110 euro meer aan deze gemeentebelasting.

Huiseigenaren draaien op voor tekorten
“In de gemeentebegroting staat dat de extra belastinggelden nodig zijn om het huishoudboekje van Cuijk op orde te krijgen. De vereniging vindt het principieel onjuist dat vooral huiseigenaren opdraaien voor begrotingstekorten en voor de voorzieningen waar alle bewoners gebruik van maken. Daarom pleit de VEH voor een ander belastingsysteem, waarbij zowel huurders als eigenaren via een algemene ingezetenenheffing meebetalen”, stelt Rob Mulder, directeur belangenbehartiging VEH.

Hogere ozb door nieuwe taken gemeenten

Het risico dat huiseigenaren via de ozb moeten opdraaien voor begrotingstekorten neemt alleen maar toe nu gemeenten steeds meer nieuwe taken toegewezen krijgen vanuit het Rijk. Gemeenten en huiseigenaren zullen de komende jaren onder andere grote investeringen moeten doen om wijken en woningen van het aardgas af te krijgen. VEH wil niet dat huiseigenaren, bovenop hun eigen investeringen, daarvoor ook een hogere ozb moeten gaan betalen. OZB mag volgens de vereniging niet het stopmiddel zijn om financiële gaten in de energietransitie te dichten.

Bron: VEH

EENMANSZAKEN KRIJGEN IN 2020 EEN NIEUW BTW-NUMMER (22-01-2019)

Alle eenmanszaken in Nederland krijgen voor 1 januari 2020 een nieuw btw-identificatienummer. Daarmee komt de Belastingdienst tegemoet aan de eis van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) om te komen met een alternatief voor het huidige nummer, dat het burgerservicenummer (BSN) bevat.

Identiteitsfraude voorkomen
Dit schrijft staatssecretaris Snel aan de Tweede Kamer. In het voorgestelde alternatief wordt aan alle eenmanszaken een nieuw btw-identificatienummer uitgereikt, dat zij bijvoorbeeld gebruiken voor vermelding op hun facturen en website. Hiermee wordt het risico rond identiteitsfraude verminderd en de privacy versterkt, stelt de Autoriteit.

BSN in btw-nummer onwenselijk
Snel is tevreden met het alternatief dat is gedacht. “Ik ben het eens met de AP dat het gebruik van het BSN in het btw-identificatienummer onwenselijk is. Het is daarom goed dat er een werkbare oplossing gepresenteerd is die de privacy van ondernemers beschermt en tegelijkertijd de heffing van de btw verzekert.

Administratie en praktijk aanpassen
Voor betrokkenen betekent dit dat zij eind 2019 een nieuw btw-nummer krijgen en hun eigen administratie en praktijk daar ook per 1 januari 2020 op moeten aanpassen. Ook leveranciers van administratieve software zullen moeten zorgen dat hun producten met het nieuwe nummer overweg kunnen.

Fiscus blijft oude nummer gebruiken
In de interne systemen van de Belastingdienst blijft het bestaande, op het BSN-gebaseerde nummer in gebruik. Dat is mogelijk, omdat het gaat om interne verwerking door de overheid, waar het BSN voor is bedoeld. Het nieuwe btw-identificatienummer is voor extern gebruik en wordt bij contacten met de systemen van de Belastingdienst automatisch vertaald naar het oude nummer. Hiermee kan de interne verwerking door de fiscus ongestoord verlopen.

Brion: Rijksoverheid

EVALUATIE MIDDELING: REGELING MOET MAKKELIJKER (22-01-2019)

Veel meer ondernemers zouden gebruik kunnen maken van de zogenoemde middelingsregeling, maar doen dat niet. Daardoor laten zij belastingteruggave liggen. Het is daarom goed dat de regeling makkelijker wordt. Dat zeggen MKB-Nederland en VNO-NCW in reactie op een evaluatie van de regeling door staatssecretaris Menno Snel van Financiën.

Middelingsregeling
De middelingsregeling maakt het mogelijk om over drie jaar betaalde inkomstenbelasting te herberekenen op basis van het gemiddelde inkomen over die periode. Als de herberekende belasting lager uitvalt dan de betaalde belasting, dan is teruggave mogelijk. Zo’n 21.000 ondernemers maken nu gebruik van de regeling, maar dat zouden er volgens MKB-Nederland 70.000 meer kunnen zijn.

Gemiddelde teruggave tussen 1.550 en 1.700 euro
In de evaluatie wordt gesteld dat de gemiddelde middelingsteruggave tussen de 1.550 euro en 1.700 euro ligt. Er zijn jaarlijks ongeveer 3.000 gevallen waarbij belastingplichtigen meer dan 5.000 euro terugkrijgen. Het grootste gedeelte van de middelingsteruggaven is minder dan 1.000 euro.

Gebruik van de regeling
Gemiddeld maken elk jaar iets meer niet-ondernemers (circa 28.000) gebruik van de regeling dan ondernemers (21.000). Er zijn in Nederland veel meer mensen in loondienst dan ondernemers, dus het relatieve gebruik bij ondernemers is wel veel groter. Uit het inkomenspatroon van gebruikers blijkt dat 30 procent binnen de categorie starter valt en 28 procent binnen de categorie stopper. De middelingsteruggave is gemiddeld een stuk hoger bij oudere gebruikers van de regeling.

85 procent maakt er geen gebruik van
De benutting van de middelingsregeling is laag: 85 procent van de belastingplichtigen die recht hebben op een middelingsteruggave maakt hier geen gebruik van. Vooral mensen die recht hebben op een lage middelingsteruggave en/of een laag inkomen hebben, benutten de regeling nauwelijks. Ook ligt de benutting een stuk lager bij mensen in loondienst dan bij zelfstandigen.

Administratieve last
Het indienen en verwerken van middelingsverzoeken is voor de Belastingdienst administratief bewerkelijk, blijkt verder uit de evaluatie. De fiscus verwerkt en controleert de verzoeken namelijk handmatig. Dit leidt tot uitvoeringskosten van 1,1 miljoen euro voor de Belastingdienst, met een personeelsbeslag van 15 FTE. Verder is het ook voor burgers complex om de middelingsregeling toe te passen. Zij dienen immers zelf het initiatief te nemen en de herberekening te maken op basis van de juiste gegevens. Dit leidt voor burgers tot 2 miljoen euro aan administratieve lasten.

Beleidswijziging
Hoewel de middelingsregeling in de afgelopen jaren ongewijzigd is gebleven, heeft er recent wel een beleidswijziging plaatsgevonden. Sinds enkele jaren zijn sommige heffingskortingen inkomensafhankelijk geworden. Dit betekent dat deze heffingskortingen nu effect hebben op de mate waarin belastingplichtigen progressienadeel hebben. Heffingskortingen worden echter niet meegenomen in de middelingsregeling, waardoor het niet compenseert voor dit progressienadeel.

Effect tweeschijvenstelsel
In het Belastingplan 2019 is opgenomen dat vanaf 2021 een tweeschijvenstelsel geldt, waarbij het tariefverschil tussen de huidige eerste en tweede schijf verdwijnt en het tariefverschil tussen de huidige derde en vierde schijf juist oploopt. Hierdoor zullen alleen mensen met een inkomen dat incidenteel in het toptarief valt en sommige AOW-gerechtigden gebruik kunnen maken van de middelingsregeling. Dit betekent dat het aantal potentiële gebruikers met ongeveer 60 procent zal dalen. De gemiddelde middelingsteruggave zal naar verwachting wel sterk toenemen. Om de toepassing en uitvoering van de regeling te vergemakkelijken zal de Belastingdienst begin 2019 een applicatie introduceren.

Middelingsregeling afschaffen
De staatssecretaris heeft een aantal bezwaren op de middelingsregeling voor wat betreft de doeltreffendheid en doelmatigheid. Daarom wordt de optie ook open gehouden om de middelingsregeling af te schaffen. Dit zou leiden tot een vereenvoudiging van het belastingstelsel en tot een kasopbrengst.

Bron: Nextens

BELASTINGDIENST KOMT IN 2019 MET NIEUW PORTAAL VOOR ONDERNEMERS (16-01-2019)

In januari lanceert de Belastingdienst een nieuw portaal voor ondernemers: Mijn Belastingdienst Zakelijk. Zzp’ers en eenmanszaken kunnen daar btw-aangifte doen, de btw-aangifte corrigeren, een opgaaf intracommunautaire prestaties doen en hun rekeningnummer opgeven of wijzigen.

Uitbreiding functies
Die functies zijn volgens de fiscus nog maar het begin. In de loop van 2019 kunnen alle ondernemers in het nieuwe portaal aangifte doen voor btw, loonheffingen en vennootschapsbelasting. Als de aangifte via Mijn Belastingdienst Zakelijk wordt opgestuurd, is deze daar altijd in te zien. Ook kan de aangifte tussendoor worden opgeslagen.

Huidige portaal
Het huidige portaal voor ondernemers blijft voorlopig nog bestaan. Hier kunnen ondernemers nog steeds alle functies gebruiken. Op ten duur zal Mijn Belastingdienst Zakelijk het huidige portaal voor ondernemers gaan vervangen.

Bron: Belastingdienst

ONDERNEMERS VERWACHTEN IN 2019 MEER OMZET, PERSONEEL EN INVESTERINGEN (16-01-2019)

Ondernemers in het niet-financiële bedrijfsleven verwachten in 2019 meer omzet, uitbreiding van het personeelsbestand en hogere investeringen dan in 2018. Ondanks deze positieve verwachtingen geven steeds meer bedrijven wel aan last te hebben van een personeelstekort. Aan het begin van het vierde kwartaal van 2018 werd 26 procent van de ondernemers hierdoor belemmerd bij de bedrijfsactiviteiten. Dat meldt het CBS op grond van de Conjunctuurenquête Nederland.

Ondernemers positief over omzet
De ondernemers zijn positief over de omzet die zij in 2019 verwachten te behalen. Per saldo verwacht 30 procent van de bedrijven omzetgroei. In de detailhandel is het optimisme het grootst. Daar verwacht 43 procent dat de omzet groeit. Ook over de werkgelegenheid is het bedrijfsleven positief gestemd. 17 procent van de bedrijven verwacht het personeelsbestand volgend jaar uit te breiden. De vraag naar personeel is het grootst in de sector informatie & communicatie.

Bedrijven belemmerd door personeelstekort
Wel gaven veel bedrijven aan belemmerd te worden bij het uitoefenen van bedrijfsactiviteiten door een tekort aan arbeidskrachten. In de vervoerssector en de zakelijke dienstverlening meldde 35 procent van de ondernemers een tekort aan arbeidskrachten. Ook in de bouwsector, horeca en de sector informatie en communicatie zijn de personeelstekorten bovengemiddeld. In de delfstoffenwinning werden tekorten het minst genoemd.

Bron: CBS

OPBRENGST BTW GROEIT IN 50 JAAR NAAR 53 MILJARD (11-01-2019)

Op 1 januari 2019 was het vijftig jaar geleden dat de btw in Nederland werd ingevoerd. In deze periode steeg de opbrengst van 2,6 miljard euro tot ongeveer 53 miljard euro per jaar. Na de loon- en inkomstenheffing is de btw de belangrijkste inkomstenbron voor de overheid. Dat meldt het CBS.

Wispelturig btw-tarief
De belasting op toegevoegde waarde (btw) bestaat in Nederland sinds 1 januari 1969. De opbrengst van de btw steeg in de eerste jaren relatief snel, onder andere doordat de tarieven flink werden verhoogd. Bij de introductie in 1969 waren het lage en hoge tarief respectievelijk 4 en 12 procent. Tegen het einde van 1946 waren ze 6 en 20 procent. Daarna volgde een periode waarin het hoge tarief geleidelijk werd verlaagd, naar 17,5 procent in 1992. In de 21e eeuw is het hoge tarief daarentegen weer stapsgewijs verhoogd naar 21 procent.

9 procent historisch hoog
Het lage btw-tarief is minder vaak aangepast en lag tussen eind 1986 en 2018 constant op 6 procent. Per 1 januari 2019 geldt echter een laag tarief van 9 procent. Niet eerder waren de btw-tarieven zo hoog. Dat hangt samen met het kabinetsbeleid om de belasting op consumptie te verhogen ten faveure van een lagere belasting op arbeid. Zo zijn dit jaar de tarieven voor de loon- en inkomstenheffing juist verlaagd.

18 procent van totale inkomsten
De btw is de laatste jaren goed voor ongeveer 18 procent van de totale belasting- en premie-inkomsten van de overheid. Alleen loon- en inkomstenheffing levert met een opbrengst van ruim 100 miljard euro de schatkist meer op. Na de loon- en inkomstenheffing en de btw zijn de premies voor het Zorgverzekeringsfonds en de vennootschapsbelasting de belangrijkste inkomstenbronnen.

Bron: CBS

AANSLAGBILJET VOORLOPIGE AANSLAG VENNOOTSCHAPSBELASTING WIJZIGT (11-01-2019)

Vanaf 1 januari 2019 wijzigt het aanslagbiljet voor de voorlopige aanslag vennootschapsbelasting, maakt de Belastingdienst bekend. De wijziging zal alleen voorlopige aanslagen over het boekjaar 2019 en later treffen.

Wijziging rubrieken

De verandering houdt in dat de rubrieken ‘Aftrek elders belast’, ‘Verrekende deelnemingsverrekening’ en ‘Verrekende belasting buitenlandse ondernemingswinst’ vervallen. In plaats daarvan komt er één nieuwe rubriek: ‘Totaal belastingverminderingen’.

Bron: Belastingdienst

VERMOGENSBELASTING GAAT IN 2019 OMLAAG (16-10-2018)

De belasting op spaargeld gaat volgend jaar omlaag. De Belastingdienst houdt bij de vermogensbelasting beter rekening met de lage rente die spaarders momenteel krijgen. Dit jaar hield de fiscus nog rekening met een spaarrendement van 0,36 procent. Komend jaar wordt dat een spaarrente van 0,13 procent. Dat blijkt uit onderzoek van De Telegraaf.

Enkele tientjes
Spaarders met een vermogen tussen de 30 duizend en 105 duizend euro zijn daardoor enkele tientjes goedkoper uit. Onder de 30 duizend euro is het spaargeld voor alleenstaanden onbelast en voor stellen geldt een belastingvrij bedrag van 60 duizend euro. Daarboven belast de fiscus het spaargeld tegen 30 procent van een fictief vastgesteld rendement.

Belegging
Bij kleine spaarders gaat de fiscus ervan uit dat 2/3 op de bank staat en 1/3 wordt belegd. Voor dat spaargeld wordt gekeken naar de gemiddelde rente van juli 2017 tot en met juni 2018. Bij de beleggingen gaat de fiscus uit van een gemiddeld rendement op de beurzen van de afgelopen vijftien jaar.

Werkelijke spaarrente
De spaarrente van 0,13 procent, waar de fiscus volgend jaar mee rekent, ligt nog altijd boven de werkelijke spaarrente van 0,03 procent. Ook moeten kleine spaarders deels belasting betalen over een beleggingsrendement, ook als ze niet beleggen.

0,56 procent belasting
Dit jaar gaat de fiscus er nog vanuit dat met beleggingen een rendement van 5,38 procent wordt behaald. Als de Belastingdienst ervan uitgaat dat 2/3 spaarrendement is tegen 13 procent en 1/3 beleggingsrendement tegen 5,38, dan resulteert dit in een belastbaar rendement van 1,86 procent. Het belastingtarief is 30 procent, waardoor dit resulteert in een belasting van 0,56 procent op vermogen.

Grote vermogens
Bij vermogens boven de 105 duizend euro gaat de fiscus ervan uit dat 4/5 is belegd en bij vermogens van een miljoen wordt verondersteld dat dit volledig wordt belegd. Daar heeft de verlaging van de spaartaks dan ook geen effect.

Bron: Telegraaf

MET TERUGWERKENDE KRACHT BTW ZONNEPANELEN TERUGVRAGEN (16-10-2018)

Particulieren met zonnepanelen op het dak, die tot nu toe geen btw hebben teruggevraagd, doen er goed aan om dit met terugwerkende kracht te doen. De btw-regeling geldt al sinds 19 juni 2013, maar is door een uitspraak van de Hoge Raad eind vorig jaar ook van toepassing op eerder aangeschafte zonnepanelen. Dus iedereen die dat nog niet heeft gedaan kan met terugwerkende kracht de status van btw-ondernemer aanvragen en btw terugkrijgen. Per 1 januari 2019 wordt de aanvraagtermijn echter wel beperkt. Dat schrijft het FD.

Voordeel
Particulieren met zonnepanelen kunnen de fiscale status van btw-ondernemer krijgen als ze stroom leveren aan hun energieleverancier. Die btw-status levert geld op. De btw die wordt betaald over de aanschaf en plaatsing van de panelen, is beduidend hoger dan de btw over de geleverde energie. Het voordeel kan oplopen tot wel duizend euro, afhankelijk van het vermogen.

Btw-aangifte
In de btw-aangifte geeft de particulier met zonnepanelen op hoeveel btw hij of zij heeft betaald over de aanschaf panelen en de installatie. De btw over de geleverde energie gaat daar vanaf. Hiervoor geldt een vast bedrag per jaar dat afhankelijk is van het vermogen van de panelen.

Kleine-ondernemersregeling
Na de eerste aangifte zou de particulier in principe elk kwartaal opnieuw btw-aangifte moeten doen, maar staatssecretaris Menno Snel heeft op 3 april dit jaar bekendgemaakt dat dat niet langer hoeft, ook niet voor de particulieren die dat al wel deden. De reden hiervoor is dat particulieren die alleen vanwege de zonnepanelen ondernemer zijn, zo weinig btw ontvangen dat ze onder de kleine-ondernemersregeling vallen, waardoor ze helemaal geen btw hoeven terug te betalen.

Bron: FD

FISCALE ONGELIJKHEID TUSSEN EEN- EN TWEEVERDIENERS (20-09-2018)

Het gemiddelde besteedbaar inkomen van tweeverdieners steeg tussen 2011 en 2016, terwijl het bij eenverdieners juist daalde. Eenverdieners ervaren ook vaker financiële problemen. Reden hiervoor is dat door politieke beslissingen eenverdieners steeds meer belasting betalen, terwijl tweeverdieners juist ontlast worden. Die maatregelen namen de kabinetten-Balkenende en – Rutte om de economie te stimuleren en om vrouwen economisch zelfstandig te maken. Dat schrijft het NRC.

Grootste verschil in belastingdruk
Het Centraal Planbureau (CPB) constateerde in 2015 dat de doelen van de kabinetten behaald zijn. Vooral vrouwen zijn meer gaan werken en dat verklaart ook de groei in het aantal tweeverdieners. Begin dit jaar waarschuwde het CPB echter dat het fiscaal bevoordelen van tweeverdieners zijn doel voorbij dreigt te schieten: “Het beleid zoekt de grenzen op van ongelijkheid en doelmatigheid.” Volgens het planbureau is Nederland een van de landen met het grootste verschil in belastingdruk tussen deze twee groepen.

Financiële problemen
Nu meldt het CBS dat eenverdieners ook vaker financiële problemen ervaren dan tweeverdieners. Ruim 15 procent van de eenverdieners met kinderen zegt moeilijk te kunnen rondkomen. Dat is ruim twee keer zoveel als bij tweeverdieners met kinderen. Van de huidige regeringspartijen nemen de ChristenUnie en het CDA het regelmatig op voor de eenverdieners. VVD en D66 benadrukken juist dat het positief is als vrouwen door belastingmaatregelen worden gestimuleerd om te werken.

Verschillen groeien
In het regeerakkoord is afgesproken dat er een belastinghervorming komt, waarbij rekening wordt gehouden met het evenwicht tussen één- en tweeverdieners. Toch voorziet het CPB dat de verschillen tussen de groepen op de lange termijn zullen blijven groeien. Dat komt vooral door de geleidelijke afbouw van de algemene heffingskorting voor niet-werkende partners.

Bron: NRC

NEDERLAND OP ÉÉN NA DUURSTE LAND IN EUROPA VOOR AUTOBEZITTERS (20-09-2018)

De Nederlandse autobezitter betaalt jaarlijks ongeveer 3.000 tot 4.000 euro aan autobelastingen. Op Denemarken na is dat het hoogste bedrag binnen Europa. In Roemenië is de belasting op de aanschaf, het bezit en gebruik van een auto relatief het laagst. Dat schrijft het FD op basis van onderzoek van de Duitse denktank DIW.

Aanschaf het duurst
Het grootste deel van de autobelastingen betaalt de Nederlander bij de aanschaf van een auto. Die is in Nederland gebaseerd op de catalogusprijs en de CO2-uitstoot. Tussen de dertig onderzochte Europese landen zijn grote verschillen in belastingstelsels. Zo is in sommige landen de aanschafbelasting gebaseerd op de cilinderinhoud.

Motorrijtuigenbelasting
Nederland heeft ook een hoge belasting op het bezit van een auto, oftewel de motorrijtuigenbelasting. Deze belasting wordt in Europa vooral gebaseerd op het gewicht van het voertuig, maar soms ook op basis van het motorvermogen of de leeftijd. Dieselrijders worden in Nederland het zwaarst belast.

Bron: FD

VERSOBERING 30%-REGELING HOUDT STAND (22-08-2018)

Het kabinet is van plan de 30%-regeling per 1 januari 2019 te verkorten van acht naar vijf jaar. De bezuiniging op de fiscale vrijstelling van 30% op het loon van de buitenlandse werknemers moet 284 miljoen euro opleveren voor de schatkist. Vanaf 2019 gaat de duur van de fiscale tegemoetkoming omlaag van acht naar vijf jaar, zonder overgangstermijn.

Evaluatie 30%-regeling
Het verkorten van de looptijd van de 30%-regeling per 1 januari 2019 is gebaseerd op de evaluatie door Dialogic dat de regeling in ruim 80% van de gevallen niet langer dan vijf jaar wordt gebruikt. Van de circa 20% van de gebruikers die de 30%-regeling langer dan vijf jaar gebruikt, vestigt een substantieel deel zich niet tijdelijk, maar langdurig in Nederland. Op 31 mei 2018 heeft de vaste commissie voor Financiën een aantal vragen aan de staatssecretaris voorgelegd over de evaluatie van de 30%-regeling. De staatssecretaris heeft de vragen inmiddels beantwoord.

Overgangsrecht juridisch niet noodzakelijk
De leden van vrijwel alle fracties hebben vragen gesteld over het niet opnemen van overgangsrecht voor bestaande gevallen. “Het uitgangspunt is dat wetswijzigingen onmiddellijke werking hebben, dat wil zeggen dat zij ook van toepassing zijn op bestaande gevallen”, reageert Staatssecretaris Menno Snel van Financiën. “In uitzonderingssituaties kan er afgeweken worden van deze onmiddellijke werking. Het gaat daarbij om een afweging van de belangen van degenen die worden geraakt door de nieuwe wetgeving, in dit geval de werknemers waarvoor de 30%-regeling reeds wordt toegepast, tegen de belangen van andere belastingplichtigen die geen tegemoetkoming krijgen. Ik acht een overgangsrecht juridisch niet noodzakelijk.”

Individueel geïnformeerd
In juni van dit jaar zijn de werknemers en werkgevers die het betreft door de Belastingdienst over de voorgenomen wijziging geïnformeerd. “Hiermee zijn belanghebbenden ruim een half jaar voorafgaande aan de beoogde inwerkingtreding van de wetswijziging individueel geïnformeerd”, aldus Snel.

Vestigingsklimaat
Vanuit de praktijk is er ook aardig wat kritiek op het versoberen van de 30%-regeling. Het Register Belastingadviseurs stelt bijvoorbeeld dat inperking van de 30%-regeling Nederland fiscaal minder aantrekkelijk maakt. Volgens de evaluatie is de regeling echter geen doorslaggevende factor voor de vestigingsplaatskeuze, hoewel het volgens Dialogic in diverse situaties wel ‘het dubbeltje net de goede kant op laat vallen’. Tegelijkertijd zal het effect naar verwachting beperkt zijn, omdat omringende landen in het algemeen ook een termijn van vijf jaar hanteren.

Bron: Elseviernextens

OESO: ‘BOUW BELASTINGVOORDELEN ZZP’ERS AF’ (22-08-2018)

“Riante fiscale prikkels voor zelfstandigen zijn niet bevorderlijk voor echt ondernemerschap, maar dragen bij aan een groot verschil in belastingheffing in vergelijking met werknemers”, schrijft De Telegraaf naar aanleiding van een rapport van OESO, de denktank van industriële landen.

Lagere kwaliteit van banen
Het aantal zzp’ers in Nederland heeft een grote vlucht genomen. OESO maakt zich met name zorgen over laagbetaalde zzp’ers. “De ontwikkeling van zelfstandigheid kan resulteren in een lagere kwaliteit van banen. De zelfstandigen betalen niet mee aan ziekte- en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, terwijl dat voor werknemers verplicht is. Daardoor staan ze bloot aan grotere financiële risico’s bij ziekte.”

Zelfstandigenaftrek
Het kabinet is niet van plan om de zelfstandigenaftrek in de ban te doen. Wel wil minister Wouter Koolmees van Sociale Zaken de laagstbetaalde zzp’er meer bescherming bieden. Onlangs liet hij aan de Tweede Kamer weten dat die nieuwe aanpak nog op zich laat wachten.

Inkomensondersteuning
FNV wil niet dat er zomaar in de zelfstandigenaftrek wordt gesneden, zo staat in een recent verschenen rapport over zzp’ers: “De fiscale faciliteiten functioneren ook als inkomensondersteuning en stelt mensen in staat het hoofd boven water te houden. De FNV gaat niet zonder meer akkoord met maatregelen die het inkomen van leden direct raken. De fiscale faciliteiten voor zelfstandigen kunnen niet zomaar worden afgebouwd of beëindigd.”

Financiële bescherming
Als zzp’ers meer financiële bescherming krijgen, zoals de OESO voorstelt, dan kunnen de fiscale voordelen wel worden afgebouwd. “Als zelfstandigen collectief kunnen onderhandelen, goede tarieven krijgen, zijn verzekerd bij langdurige ziekte en arbeidsongeschiktheid en pensioen kunnen opbouwen, is afbouw reëel”, aldus vakbond FNV.

Bron: Telegraaf

SKYBOX NIET AFTREKBAAR VOOR DE BELASTING (16-08-2018)

Twee broers die met hun bedrijf vier stoelen in een skybox huurden en de daarover betaalde btw wilden aftrekken bij de belastingaangifte, hebben van de Hoge Raad een tik op de vingers gekregen. Dat schrijft De Telegraaf. Een naheffing van ruim 14.000 euro dreigt.

Relatiegeschenk
De broers zien de huur van de business seats, inclusief gratis hapjes en drankjes bij de voetbalwedstrijd, als een relatiegeschenk. Daarom zou dit volgens hen aftrekbaar moeten zijn voor de belasting. Daar is de belastinginspecteur het niet mee eens. De fiscus zet vooral vraagtekens bij de gebrekkige administratie over het bezoek dat de broers meenamen. Over de periode 2004 tot 2008 is er zelfs helemaal geen administratie. Volgens de inspecteur hebben de stadionbezoekjes daarnaast meer een ‘consumptief karakter’ en dienen die meer de ‘persoonlijke belangen’ van personeel en relaties dan zakelijke.

Uitspraak Hoge Raad
De Hoge Raad geeft aan dat er duidelijke documentatie nodig is om te bewijzen dat er sprake is van zakelijke activiteiten. In dit geval besluit de Raad dat de aard van de bijeenkomsten in het stadion weinig van doen had met zakelijke belangen en heeft de belastinginspecteur daarom gelijk gegeven. De behandeling van de zaak is teruggewezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Daar wordt bepaald of de naheffing van ruim 14.000 euro standhoudt.

Bron: De Telegraaf

HUIZENBEZITTERS BETALEN TEVEEL BIJ VERVROEGD AFLOSSEN HYPOTHEEK (16-08-2018)

Onderzoek van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) toont aan dat nog niet alle aanbieders een correct bedrag voor het vervroegd aflossen van de hypotheek in rekening brengen. Meerdere huizenbezitters betaalden een te hoge boeterente voor de vervroegde aflossing. De AFM heeft de aanbieders op de vingers getikt en zij zullen de benadeelde klanten moeten compenseren.

Vervroegde aflossing
De AFM ziet toe op de naleving van wetgeving waarover in maart 2017 een Leidraad ‘Vergoeding voor vervroegde aflossing van de hypotheek’ is gepubliceerd. Hiermee kunnen aanbieders de maximale vergoeding vaststellen, die vanaf 14 juli 2016 aan huizenbezitters in rekening mag worden gebracht. Uitgangspunt is dat aanbieders niet meer dan het door hen geleden financiële nadeel als gevolg van vervroegde aflossing doorberekenen.

Benadeeld
Bij elk van de vijftien onderzochte aanbieders heeft de AFM tien dossiers met verschillende hypotheekvormen beoordeeld. Van de vijftien aanbieders zijn er negen die in minstens één dossier een te hoge vergoeding in rekening hebben gebracht. Het gaat om 32 van de in totaal 150 onderzochte dossiers. Een aantal aanbieders heeft naar aanleiding hiervan zelf onderzoek uitgevoerd en geconstateerd dat ook in vergelijkbare dossiers een te hoge berekening was gemaakt. Dit varieerde van enkele euro’s tot een uitschieter van duizenden euro’s te veel.

Bron: AFM

VAKANTIE EN DE AUTO VAN DE ZAAK (14-08-2018)

Binnenkort gaan vele Nederlanders de grens over op vakantie. Met de auto op zoek naar parelwitte stranden en een goudgele zon aan een strakblauwe lucht. Maar hoe zit het ook alweer met de auto van de zaak?

Bij een auto die tot het ondernemingsvermogen behoort mogen alle autokosten worden meegenomen. Ook de kosten gemaakt tijdens de vakantie in het zonnige buitenland, zoals brandstof, parkeerbelasting, tolvignetten of oplaadkosten. Je kunt de kosten het beste via een zakelijke rekening betalen. De bonnetjes moeten natuurlijk goed worden bewaard. De belastingdienst accepteert deze kosten zolang het geen excessief hoge privékosten zijn. Niets is mooier dan de belastingdienst die meebetaalt aan de welverdiende vakantie.

Je moet wel opletten dat het aantal privékilometers binnen het redelijke blijven. Als je op jaarbasis vooral privé rijdt en relatief weinig zakelijke kilometers maakt, dan kan de belastingdienst een hogere bijtelling opleggen op basis van het werkelijke privégebruik. Het zou zonde zijn om van een koude kermis thuis te komen vanaf de middellandse zee.

Rijd je normaal alleen zakelijke kilometers, dan gelden de vakantiekilometers helaas als privékilometers. Het wordt een dure vakantie als je boven de vijfhonderd privékilometers uitkomt en het privégebruik van de auto over een vol jaar moet bijtellen. En dat is al snel het geval bij een trip naar het buitenland.

Btw
De Nederlandse btw over de autokosten van een zakelijke auto kan op de normale wijze worden teruggevraagd via de aangifte omzetbelasting. De teruggaaf van de buitenlandse btw kan relatief eenvoudig via de Nederlandse belastingdienst worden aangevraagd als het btw-bedrag tenminste € 50,- is. Het verzoek moet na afloop van het jaar vóór 1 oktober van het jaar erop zijn gedaan. Helaas tellen de vakantiekilometers mee voor de btw-correctie van het privégebruik aan het eind van het jaar.

De vliegende Hollander

Natuurlijk zijn er ook Nederlandse ondernemers die van een vliegvakantie genieten. Meedenkers vragen weleens of ze geen bijtelling hoeven aan te geven over de periode van hun verblijf in het buitenland. Ze kunnen dan immers geen gebruik maken van de auto en dat voelt op de een of andere manier onredelijk. Maar al staat de auto werkeloos op Schiphol te wachten tot de ondernemer weer terugkeert, hij staat wel ter beschikking aan de ondernemer. En dus moet er ook over deze periode worden bijgeteld.

Eist de werkgever dat de auto inclusief sleutels gedurende de vakantie moet worden ingeleverd, bijvoorbeeld omdat iemand anders de auto gaat gebruiken, is het wellicht verdedigbaar om tijdelijk niet bij te tellen. De belastingdienst vindt dit veelal discutabel. Zeker als de auto achter het hek van de eigen zaak staat.

Gezien de relatief korte periode is het fiscaal belang wellicht peanuts, afhankelijk van de cataloguswaarde van de bolide. Maar als het om onze heilige koe en bijtelling gaat, wordt elke belastingbesparing, hoe gering ook, als een grote overwinning gevierd. En we moeten van de zomer toch iets te juichen hebben nu ons oranje op het WK ontbreekt. Dus geen verplicht ritje naar Rusland, dat scheelt weer, want dan zouden we zeker aan onze kilometers gekomen zijn.

Voor ondernemers met een auto van de zaak die gewoonlijk al een bijtelling hebben, lijkt de vakantiezon in ieder geval net wat harder te schijnen dan voor de ondernemer die een auto in privé rijdt. Maar hoeveel vakantiekilometers u ook rijdt, ik wens u alvast een zonnige en plezierige vakantie toe!

Bron: Brian van der Pluijm FA

NIEUWE WETGEVING ZZP’ERS LAAT NOG OP ZICH WACHTEN (14-08-2018)

Het kabinet is bezig met het uitwerken van de nieuwe wetgeving voor zzp’ers, maar heeft nog veel werk te verrichten. Zo doet het kabinet onderzoek naar de tariefstelling bij zzp’ers en gaat het in gesprek met de Europese Commissie over de bescherming van werkenden met lage tarieven. Een nadere uitwerking van de maatregelen volgt in het najaar. Dat schrijven de minister van SZW en de staatssecretaris van Financiën in een hoofdlijnenbrief aan de Tweede Kamer.

Kwaadwillenden
Per 1 juli 2018 wordt het toezicht op zelfstandigen aangescherpt. Zoals is aangegeven in de brief van 9 februari 2018 is de handhaving van de Wet DBA opgeschort tot in ieder geval 1 januari 2020, met uitzondering van kwaadwillenden. De bewijslast dat een opdrachtgever als kwaadwillende moet worden aangemerkt, rust op de Belastingdienst. Het kabinet geeft hiermee gehoor aan de toenemende onvrede over mogelijke schijnzelfstandigheid.

Toezichtsplan
De Belastingdienst publiceert op 1 juli een toezichtsplan dat invulling geeft aan het toezicht op arbeidsrelaties. De Belastingdienst selecteert minimaal 100 opdrachtgevers om te bezoeken. In deze selectie zijn zowel de opdrachtgevers betrokken die een modelovereenkomst hebben voorgelegd die al dan niet is goedgekeurd, als de opdrachtgevers die in dit kader nog niet in beeld zijn geweest bij de Belastingdienst. De selectie vindt dusdanig plaats dat diverse branches en sectoren bezocht worden en dat de focus ligt bij de opdrachtgevers die nog niet in beeld zijn geweest of die niet werken met een goedgekeurde (model)overeenkomst. De Belastingdienst gaat met de geselecteerde opdrachtgevers in gesprek over hun werkwijze met hun opdrachtnemers.

Bron: Rijksoverheid

WIEBES WIL TERUGLEVERSUBSIDIE VOOR DUURZAME ENERGIE (06-08-2018)

Minister Wiebes werkt aan een nieuwe subsidieregeling voor huishoudens en bedrijven die zelf duurzame elektriciteit opwekken. De nieuwe regeling richt zich op de stimulering van zonne-energie, maar ook op andere hernieuwbare energiebronnen zoals windenergie. Het uitgangspunt bij de nieuwe regeling is een gemiddelde terugverdientijd van circa zeven jaar.

Terugleversubsidie
De terugleversubsidie is een vergoeding voor de stroom die aan het elektriciteitsnet is teruggeleverd. De opgewekte stroom zelf verbruiken blijft ook aantrekkelijk, omdat huishoudens en bedrijven hierover ook na 2020 geen energiebelasting en geen ODE (Opslag Duurzame Energie) betalen. In 2020 vervangt de regeling de huidige salderingsregeling, waarbij jaarlijks van tevoren een subsidieplafond wordt vastgesteld. Voor gebruikers van de salderingsregeling komt er een soepele overgang. Wiebes onderzoekt of ook grotere gebouwen – zoals scholen of kantoren – in de regeling kunnen worden opgenomen.

Eén RVO-loket
De terugleversubsidie is bedoeld om opwekkers van duurzame energie optimaal te faciliteren. Daarom komt er één loket bij RVO.nl waar huishoudens en bedrijven de terugleversubsidie kunnen aanvragen. Hoe de hoeveelheid teruggeleverde stroom gemeten wordt, en welke rol de slimme meter hierin heeft, wordt nog bekeken. De minister wil het voorstel voor de nieuwe terugleversubsidie deze zomer gereed hebben.

Bron: Rijksoverheid

TECHBEDRIJVEN: ‘HERZIE BEPERKING LOOPTIJD 30%-REGELING’ (06-08-2018)

Grote techbedrijven in Nederland doen een dringend beroep op het kabinet om beperking van de looptijd van de 30%-regeling te herzien. In een brief aan staatssecretaris Snel van Financiën pleiten ze voor een overgangsregeling, om te voorkomen dat het concurrentievermogen van Nederlandse bedrijven wordt aangetast. Er wordt zelfs gewaarschuwd voor een impact op de continuïteit van de bedrijfsvoering. Dat schrijft het FD.

Bezuiniging 284 miljoen
Het kabinet onthulde in april dat vanaf volgend jaar 284 miljoen euro bezuinigd wordt op de fiscale vrijstelling van 30 procent op het loon van buitenlandse werknemers. Vanaf 2019 gaat de duur van de fiscale tegemoetkoming omlaag van acht naar vijf jaar, vooralsnog zonder overgangstermijn.

Ontbreken overgangstermijn
Het ontbreken van een overgangstermijn is wat voor de ophef zorgt. Zonder overgangsregeling worden sommige kenniswerkers namelijk al per 1 januari 2019 getroffen. Een voortijdig vertrek van deze essentiële medewerkers kan leiden tot een directe impact op de bedrijfsvoering, groei en innovatiekracht, waarschuwen de ceo’s van de techreuzen.

Bron: FD

KABINET WIL COMPENSATIEREGELING VOOR GEDUPEERDE ONDERNEMERS (03-08-2018)

Er komt een gerichte compensatieregeling voor ondernemers die in de periode 2014-2016 gedupeerd zijn, omdat zij een lening uit de bijstand als gift bij hun inkomen moesten tellen. Hierdoor kregen zij te maken met terugvorderingen van toeslagen. Voor de regeling is 17 miljoen euro gereserveerd. Dit kondigt staatssecretaris Snel van Financiën vrijdag aan in een brief aan de Tweede Kamer.

Verandering sinds 2017
“Sinds 2017 bestaat dit probleem niet meer, omdat de gift niet langer tot het inkomen wordt gerekend”, zegt de staatssecretaris. “Voor de groep gedupeerde ondernemers komt er nu een oplossing. Zij hebben zich een tijdlang zorgen gemaakt over hun financiële situatie en dit kabinet wil hen nu alsnog tegemoet komen.”

Belastingplan
Voor de regeling is een wettelijke basis nodig en zal daarom onderdeel uitmaken van het Belastingplan dat in september naar de Tweede Kamer wordt gestuurd. Dan wordt ook meer bekend gemaakt over de vormgeving van de compensatieregeling. Met de aankondiging voldoet het kabinet aan een breed gesteunde motie uit de Tweede Kamer.

bron: Rijksoverheid

MINDER BEDRIJVEN GEBRUIKEN INNOVATIEREGELING (03-08-2018)

Minder bedrijven hebben vorig jaar gebruikgemaakt van een fiscale regeling voor onderzoek en ontwikkeling dan in 2016. Dat neemt niet weg dat het beschikbare bedrag van bijna 1,2 miljard euro aan belastingvoordelen opnieuw helemaal is opgemaakt, blijkt uit een jaarrapportage van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat.

Economische groei
Het aantal bedrijven dat een beroep deed op de regeling, waarmee met belastingkorting geïnvesteerd kan worden in innovatie, nam met een kleine 5 procent af tot ruim 21.000. “Mogelijk houdt dit verband met de huidige periode van economische groei”, aldus het ministerie. Bedrijven zijn drukker met hun normale bedrijfsvoering en besteden minder tijd aan onderzoek en ontwikkeling.

Uitgaven op peil
“Nederlandse bedrijven hebben in 2017 hun uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling op peil gehouden”, concludeert staatssecretaris Mona Keizer van Economische Zaken. “Dat is belangrijk, omdat de sterke economische groei ervoor zorgt dat bedrijven zich vooral moeten richten op de toenemende vraag en productie.”

Fundament van economie
Vooral middelgrote en kleine bedrijven maken gebruik van de regeling. Zij zijn goed voor 97 procent van het totaal. Dat laat volgens Keizer zien dat mkb’ers “niet alleen het fundament van onze economie zijn, maar ook een belangrijke bijdrage leveren aan vernieuwing”.

Bron: ANP / elseviernextens

KABINET KOMT IN ACTIE TEGEN PROBLEMATISCHE SCHULDEN (02-08-2018)

Het kabinet heeft 40 actiepunten opgesteld om mensen met problematische schulden te helpen. Dit schrijft staatssecretaris Van Ark van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in een brief aan de Tweede Kamer.

Financiële problemen
Naar schatting 1,4 miljoen Nederlandse huishoudens hebben problematische schulden of lopen een risico om op korte termijn financiële problemen te krijgen. Slechts 200.000 mensen zijn daadwerkelijk bekend bij gemeenten en schuldhulporganisaties.

Stress
Mede omdat schulden voor veel stress en problemen zorgen en bovendien vaak tot een slechtere gezondheid leiden, wil het kabinet de schuldenproblematiek zo snel en efficiënt mogelijk aanpakken. Hierbij werkt het kabinet samen met tientallen partijen.

Incassokosten
Eén van de actiepunten is om te onderzoeken of het minimumbedrag van € 40 incassokosten bij kleine vorderingen kan worden verlaagd voor mensen die in de schulden zetten. Ook werkt het kabinet aan een wetsvoorstel waarin wordt geregeld dat mensen bij beslag op een bankrekening genoeg geld overhouden om van te leven.

Schuldenrechter
Verder start nog dit jaar een experiment met een zogeheten ‘schuldenrechter’. Hierbij worden iemands schulden bij één en dezelfde rechter afgehandeld. Momenteel krijgt een schuldenaar in de praktijk steeds te maken met andere rechters, die niet van zijn situatie op de hoogte zijn.

Prioriteit
De prioriteit van het kabinet ligt bij het voorkomen van problematische schulden, onder andere door in te zetten op preventie en het op tijd signaleren als mensen forse schulden dreigen te krijgen. Als mensen toch schulden hebben, moeten zij beter worden ondersteund, bijvoorbeeld door het makkelijker te maken om aan te kloppen bij schuldhulpverlening.

Bron: Rijksoverheid / elseviernextens

FISCUS WIJST BEZWAREN WEGENS GERING PRIVÉGEBRUIK AUTO ALLEMAAL AF (02-08-2018)

De Belastingdienst heeft de bezwaarschriften die in totaal bijna 2000 ondernemers indienden vanwege de btw-correctie voor het privégebruik van een bedrijfsauto, allemaal afgewezen. De fiscus vindt dat de ondernemers niet overtuigend hebben aangetoond dat zij hun zakelijke auto nauwelijks privé hebben gebruikt.

Kilometerregistratie
Ondernemers moeten btw betalen voor het privégebruik van een auto van de zaak. Als zij een kilometerregistratie bijhouden, betalen zij btw over het werkelijke privégebruik. Zonder rittenregistratie bedraagt de btw-betaling 2,7% van de cataloguswaarde van de auto.

Juridische strijd
Veel ondernemers vonden dit percentage te hoog en na een lange juridische strijd bepaalde de Hoge Raad dat deze ondernemers beroep mochten aantekenen. Maar dan moesten ze wel goed onderbouwen hoeveel privékilometers zij hebben gereden. En nu heeft de Belastingdienst dus geoordeeld dat alle betrokken ondernemers niet aan deze voorwaarde hebben voldaan.

bron: NOS / elseviernextens

PRIJZEN HUURWONINGEN IN VRIJE SECTOR WEER FORS OMHOOG (30-07-2018)

De prijzen van huurwoningen in de vrije sector blijven stijgen. In het eerste kwartaal van 2018 waren de huurprijzen gemiddeld bijna 6% duurder dan een jaar eerder. In sommige gemeenten, waaronder Zoetermeer en Apeldoorn, bedroeg de stijging zelfs meer dan 20%. Dit schrijft de NOS op basis van cijfers van huurwoningensite Pararius.

Flevoland
Volgens Pararius zien steeds meer mensen zich genoodzaakt om uit te wijken naar relatief goedkopere gemeenten, onder meer in de provincie Flevoland. Vooral Almere is populair. Wel stijgen de huurprijzen in de vier grote steden Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht inmiddels minder hard.

Krapte
De voornaamste reden voor de fors stijgende huurprijzen is het grote gebrek aan woningen. En volgens Pararius zal de krapte op de woningmarkt in de komende jaren alleen nog maar toenemen.

Hypotheek
Vooral voor mensen met middeninkomens wordt het steeds moeilijker om een betaalbare huurwoning te vinden. Dit komt doordat zij te veel verdienen voor een sociale huurwoning en vaak te weinig om een hypotheek te kunnen krijgen.

Bron: NOS / elseviernextens

FORSE VERSCHILLEN IN BELASTINGHEFFING BIJ OVERDRACHT FAMILIEBEDRIJVEN (30-07-2018)

Nederland neemt in Europa een middenpositie in bij de belasting voor bedrijfsoverdrachten. De kritiek dat deze belasting te laag zou zijn, is misplaatst, waarschuwt KPMG. In andere Europese landen betalen familiebedrijven minder of helemaal geen belasting bij overdracht aan de volgende generatie. Dat schrijft het FD.

MKB
De accountants- en adviesorganisatie publiceerde maandag een internationaal onderzoek naar de erf- of schenkbelasting die in 65 landen verschuldigd is bij de overdracht van familiebedrijven. De verschillen zijn groot. Portugal, Frankrijk en Griekenland kennen hoge belastingen. Zweden, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland heffen geen belasting als een bedrijf overgaat naar de volgende generatie. Nederland zit daar tussenin, met de zogeheten Bedrijfsopvolgingsregeling (BOR), aldus KPMG.

Critici vinden de BOR te gunstig uitpakken voor de aantredende generatie. Maar KPMG waarschuwt voor aanpassing. ‘We moeten ons realiseren dat Nederland binnen Europa fors uit de pas zou gaan lopen wanneer de BOR zou worden versoberd’, stelt Maarten Merkus in een begeleidend persbericht bij het onderzoek. De fiscalist van KPMG Meijburg & Co is gespecialiseerd in familiebedrijven.

De onderzoekers merken op dat de verschillen in fiscale behandeling tot een ongelijk speelveld leiden voor familiebedrijven in Europa. Vaak zijn dat ondernemingen in het midden- en kleinbedrijf. Volgens Merkus stellen landen met een goede opvolgingsregeling familiebedrijven veel beter in staat door de generaties heen te blijven groeien.

Voorwaarden vrijstelling
In onder meer het Verenigd Koninkrijk en Duitland leiden vrijstellingen ertoe dat familiebedrijven geen belasting betalen als zij overgaan in handen van de volgende generatie. In Duitsland geldt dat tot een bedrijfswaarde van €90 mln. Ten slotte zijn er landen die helemaal geen overdrachtsbelasting kennen. In Europa zijn Zweden en Polen daar voorbeelden van.

Nederland is een middenmoter. Na de vrijstellingen in de BOR is er bij een nalatenschap en pensioen respectievelijk €270.000 en €273.000 verschuldigd bij een bedrijfswaarde van €10 mln. Net als in de meeste andere landen stelt Nederland voorwaarden aan de vrijstellingen. Zo moet er sprake zijn van een onderneming waarin daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Alleen beleggingen zijn niet genoeg. Een andere eis is dat de nieuwe eigenaren het bedrijf ten minste vijf jaar moeten voortzetten. Aldus het FD.

Bron: FD / elseviernextens

Toeslagen bij samenwoning met niet-partner (23-05-2018)

Onlangs kwam ik in contact met Femme. Gescheiden, alleenstaande moeder, zzp-er met beperkt inkomen en in grote mate afhankelijk van diverse toeslagen. Femme moest duizenden euro’s aan toeslagen terugbetalen. En wellicht nog erger, een groot deel van haar toeslagen was voor de toekomst drastisch verlaagd. Was, want na twee maanden moeizame communicatie met de Belastingdienst is de financiële lucht voor Femme weer geklaard. Haar recht op toeslagen is herleefd en alle aanslagen zijn van tafel. Nieuwsgierig? Hierna meer over de situatie van Femme.

Femme is eind 2016 gescheiden van haar toenmalige vriend Nino. Femme en Nino hebben samen een dochter van 5 jaar (Sam). In goed overleg werd besloten dat Femme en Sam voorlopig in de koopwoning konden blijven wonen. Het doel was om de woning op korte termijn in de verkoop te zetten. De zzp-activiteiten van Femme vielen echter tegen, waardoor de woonlasten van het huis niet op te brengen waren. Creatief als Femme is gaat ze op zoek naar een oplossing. Haar broer, ook net gescheiden, is op zoek naar woonruimte. Het idee is al snel geboren om een deel van het huis ter beschikking te stellen aan haar broer. Het huis is daar groot genoeg voor en ook de indeling is ervoor geschikt. Broer en zus leiden echter wel ieder hun eigen leven, het doel is niet om een gezamenlijke huishouding te voeren. De broer gaat dan ook netjes een vergoeding betalen voor het gebruik van een deel van de woning en ze leggen de afspraken vast in een overeenkomst. De vergoeding aangevuld met haar zzp-inkomsten en toeslagen maken dat ze voldoende inkomen heeft om van rond te kunnen komen. De broer schrijft zich in bij Femme en de nieuwe situatie is een feit.

Een paar maanden later geeft de broer van Femme aan haar aan dat de woonsituatie hem erg goed bevalt. Het bevalt zelfs zo goed, dat hij er wel oren naar heeft om de woning te kopen van Femme en Nino. Een kleine twee maanden later is de koop een feit. Vanaf dat moment is de situatie omgekeerd. Femme huurt nu een deel van de woning van haar broer.

Toeslagpartnerschap
In de tussentijd heeft zich voor Femme een vervelende situatie voorgedaan. De Belastingdienst heeft de inschrijving van de broer op het adres van Femme gesignaleerd. Omdat er ook een minderjarig kind op hetzelfde adres ingeschreven staat stellen zij vast dat Femme en haar broer toeslagpartners zijn geworden. Hoewel ze broer en zus zijn, worden ze fiscaal als een ‘setje’ behandeld. Direct gevolg is dat Femme de alleenstaande ouderkop binnen het kindgebonden budget verliest. Ook de zorgtoeslag komt als gevolg van het inkomen van de broer volledig te vervallen. Tot slot gaat de kinderopvangtoeslag voor de buitenschoolse opvang van Sam fors omlaag. De door Femme te ontvangen toeslagen dalen maar liefst met € 538 per maand. Omdat het verwerken van de wijziging de Belastingdienst enige tijd heeft gekost moet Femme vijf maanden teveel ontvangen toeslagen terugontvangen. Naast de forse daling aan inkomen in de vorm van toeslagen ontvangt ze dus ook nog een te betalen aanslag van € 2.690. Voor een alleenstaande moeder met een toch al niet al te ruim budget een bijna onoverkomelijk bedrag.

Kamervragen
Het toeval wil dat begin dit jaar Kamervragen zijn gesteld over het partnerbegrip. Vorige maand kwam Staatssecretaris Snel met antwoorden. Uiterst summier komt het erop neer dat het partnerschap wordt vastgesteld op basis van objectieve criteria. Tijdens de parlementaire behandeling Fiscale vereenvoudigingswet 2010 is aan de oorspronkelijke criteria een criterium toegevoegd. Sindsdien zijn ongehuwd samenwonden ook partners als zij samen met een kind van een van beiden op hetzelfde adres in de basisregistratie personen staan ingeschreven. Niet als partners worden aangemerkt bloed- of aanverwanten in de eerste graad jonger dan 27 jaar. Is men ouder dan 27 jaar, dan wordt een gezamenlijke huishouding verondersteld.

Tegenbewijsregeling
Waar in de beantwoording van de Kamervragen niet bij stil wordt gestaan is dat er een tegenbewijsregeling bestaat voor de ongehuwd samenwonenden met een minderjarig kind van een van beiden. Wordt door middel van een schriftelijke huurovereenkomst op zakelijke gronden een gedeelte van de woning gehuurd van een ander, dan is geen sprake van partnerschap. Omdat deze situatie niet objectief vast te stellen is, dient hiervoor echter wel een verzoek te worden gedaan aan de Belastingdienst. Ook voor Femme hebben we gebruik gemaakt van deze tegenbewijsregeling. Complicerende factor daarbij was dat de overeengekomen huur niet was voldaan middels een bancaire overboeking. Voor de broer gold namelijk dat hij de huur contant had voldaan, iets wat de bewijspositie niet ten goede komt. Femme op haar beurt had de huur überhaupt nog niet voldaan. Directe aanleiding daarvoor was dat ze door het stopzetten van de toeslagen hier geen financiële ruimte voor had. Dit alles maakt dat de Belastingdienst terughoudend was met het met terugwerkende kracht verbreken van het toeslagpartnerschap.

Slot
De situatie van Femme maakt pijnlijk duidelijk hoe de regelingen rondom de toeslagen menig belastingplichtige ernstig in de problemen kunnen brengen. Al met al hebben we de situatie voor Femme weten te redden. Het jaarlijks terugkerende financiële belang bedraagt ruim € 6.000. Een mooi resultaat, maar zoals zo vaak geldt ook hier dat voorkomen beter is dan genezen!

Bron: Elseviernextens / mr. Rob Welling

Fiscus casht flink op afkoop ondernemerspensioen (18-05-2018)

De Belastingdienst heeft vorig jaar €3,3 mrd geïncasseerd uit de afrekening van pensioenen in eigen beheer van ondernemers. Dat is aanzienlijk meer dan de €2,1 mrd die was geraamd, schrijft staatssecretaris Menno Snel van Financiën donderdag aan de Tweede Kamer.

Grotere belangstelling
Vorig jaar maakten 70.289 directeuren-grootaandeelhouders (dga’s) gebruik van de mogelijkheid om het fiscaal gefaciliteerde pensioen in eigen beheer binnen hun bv te beëindigen. Daarbij konden ze kiezen tussen omzetting naar een oudedagsverplichting of met korting afrekenen met de fiscus.

Het merendeel (42.792) van de dga’s koos voor afkoop. Deze ‘ontklemming’ van het pensioenvermogen werd niet tegen de gebruikelijke 52% belast, maar tegen 34%. De schatkist incasseert dus per saldo minder uitgestelde belasting maar krijgt het wel eerder overgeschreven. Volgens de oorspronkelijke raming zou de schatkist er structureel €200 mln op moeten toeleggen.

Boekhoudkundig tellen de inkomsten nog niet als een meevaller, omdat de regeling dit jaar en volgend jaar nog doorloopt, tegen een lagere korting. Snel kan nu nog niet zeggen of de hogere opbrengst het gevolg is van grotere belangstelling of dat de dga’s alleen in 2017 van de afkoopregeling gebruik maken. Dat laatste zou kunnen betekenen dat de geraamde opbrengsten voor dit en volgend jaar (bij elkaar nog bijna €1,9 mrd) niet optreden, of veel lager uitvallen.

Complexiteit
Het pensioen in eigen beheer werd door Snels voorganger Eric Wiebes afgeschaft vanwege de complexiteit voor zowel de dga als de Belastingdienst. De faciliteit bracht veel dga’s in problemen. De commerciële waarde van de pensioenverplichting was vaak zo hoog, dat de bv een negatief eigen vermogen had en bijvoorbeeld geen dividend kon uitkeren.

Door de uitfasering van de regeling mogen dga’s hun pensioenverplichting terugbrengen tot de fiscale waarde (de opgetelde inleg) en daarna omzetten in de oudedagsverplichting of meteen uitkeren en afrekenen met de Belastingdienst.

Bron: FD / Elseviernextens

Staatssecretaris geeft uitvoering aan uitspraak HR over btw-teruggaaf zonnepanelen (16-05-2018)

Staatssecretaris Menno Snel heeft een besluit genomen hoe de Belastingdienst uitvoering kan geven aan de uitspraak van de Hoge Raad aangaande de btw-teruggaaf zonnepanelen. Daarmee wordt onder andere het aanvraagproces voor btw-teruggaaf zonnepanelen vereenvoudigd. De uitspraak van de Hoge Raad was op 15 december 2017.

Na de uitspraak heeft de staatssecretaris aangegeven zich te willen beraden hoe de uitspraak moet worden omgezet in beleid en uitvoering. In afwachting daarvan is een deel van de verzoeken van particulieren met zonnepanelen nog niet verwerkt.

De staatssecretaris heeft besloten dat particulieren die zonnepanelen hebben aangeschaft en nog niet zijn geregistreerd als ondernemer, zich alsnog kunnen aanmelden. Ook indien de zonnepanelen zijn aangeschaft in 2013 of eerder. Ze ontvangen dan een aangifte voor het tijdvak waarin de panelen zijn aangeschaft. Met deze aangifte kunnen zij btw terugvragen.

Bezwaar- en beroepsprocedures
Voor particulieren die een bezwaar- of beroepsprocedure hebben aangespannen, heeft de staatssecretaris het volgende besloten:
Bij een lopende bezwaar- of beroepsprocedure over het tijdvak waarin de zonnepanelen zijn aangeschaft, verleent de Belastingdienst alsnog de teruggaaf;

De btw op de aanschaf van de zonnepanelen vanaf 20 juni 2013 kan volgens de regels van het ambtshalve verminderingen beleid worden teruggevraagd.

Vaak geen btw-aangifte meer nodig voor andere tijdvakken
Particulieren met zonnepanelen hoeven veelal geen btw te betalen na het aangiftetijdvak waarin de zonnepanelen zijn aangeschaft. Daarom stopt de Belastingdienst voor deze groep met het uitreiken van btw-aangiften na het tijdvak waarin de zonnepanelen zijn aangeschaft. Om de toezending van aangiften te stoppen is het dus niet langer meer nodig dat particulieren met zonnepanelen om ontheffing van administratieve verplichtingen vragen. Per brief wordt kenbaar gemaakt wanneer de uitreiking wordt stopgezet. Dit alles geldt ook voor diegenen die zich nu aanmelden.

Het is wel even opletten voor particulieren met zonnepanelen die geen btw-aangiften meer uitgereikt krijgen maar wel starten met een andere ondernemersactiviteit. Zij moeten de Belastingdienst daarvan op de hoogte stellen. Zij kunnen zich aanmelden via de procedure voor startende ondernemers. Uiteraard gelden de bestaande btw-regels voor btw-ondernemers die op basis van andere activiteiten reeds als ondernemer zijn geregistreerd en die zonnepanelen aanschaffen.

Behandeling aanvragen
De Belastingdienst heeft nog enige tijd nodig om de behandeling van aanvragen op deze werkwijze aan te passen. Particulieren die zich al hebben gemeld, ontvangen uiterlijk 1 mei een reactie op hun ‘Opgaaf Zonnepanelen’. Zij ontvangen vervolgens een papieren btw-aangifteformulier en inloggegevens waarmee zij hun rekeningnummer voor de teruggaaf kunnen opgeven.

De exacte uitleg van het besluit staat vermeld op www.belastingdienst.nl.

Bron: Rijksoverheid / Elseviernextens

Stamrecht-bv brengt eigenaren in de problemen (11-04-2018)

Werknemers die in het verleden een ontslagvergoeding in een zogeheten stamrecht bv hebben ondergebracht, dreigen in de problemen te raken zodra zij hun pensioen uit deze bv moeten aanvullen. Het geld in de bv is opgegaan aan privé-uitgaven, het pensioen kan niet meer worden aangevuld, maar de fiscus staat wel op de stoep om de inkomstenbelasting te innen die verschuldigd is over de aanvulling.

Herkenbaar
Volgens belastingadviseur Pim van Rijswijk dreigen duizenden houders van een stamrecht bv daardoor in de problemen te komen. De directeur-eigenaar van de VRB Adviesgroep zegt maandelijks tientallen mensen te spreken die net met pensioen zijn gegaan of op het punt staan dat te doen en zich dan pas realiseren dat zij belasting moeten gaan betalen over het geld dat zij eerder onbelast in een bv hebben gestopt, schrijft het FD.

Het probleem ontstaat als er geen of te weinig geld in de bv zit om het pensioen aan te vullen en daarover belasting af te dragen. Bij het opzetten van de stamrecht bv is een belastingclaim ontstaan die de fiscus int zodra de pensioenaanvulling behoort te beginnen — ook als die uiteindelijk nooit plaatsvindt omdat het geld al is uitgegeven.

Andere belastingadviseurs herkennen het probleem dat Van Rijswijk signaleert. ‘Wij zien dit met enige regelmaat gebeuren’, zegt Martijn van der Kroon, directeur-eigenaar van advieskantoor C&B More. Van der Kroon wijst erop dat een belastingaanslag achterwege blijft als er met het geld in de bv is belegd, maar de resultaten hiervan zijn tegengevallen.

Problemen
Het criterium voor de Belastingdienst is of er zakelijk of onzakelijk met het geld in de bv is omgegaan. Zo heeft de fiscus er geen bezwaar tegen als een eigenaar van een stamrecht bv een lening aan zichzelf verstrekt, mits hij die lening aflost en daarover een marktconforme rente betaalt.

Problemen ontstaan zodra eigenaren geld uit hun bv halen zonder iets vast te leggen over aflossing en rente, en met dat geld bijvoorbeeld een boot kopen of een wereldreis maken. Als de fiscus bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd de belastingclaim wil innen, is daar onvoldoende geld voor. Hoe vaak dit soort situaties zich voor doen, houdt de Belastingdienst niet bij, aldus het FD.

Bron: FD / Elseviernextens

Twee ondernemers mogen dertien auto’s hebben (11-04-2018)

Twee ondernemers die samen dertien zakelijke auto’s gebruikten en in totaal € 50.000 aan autokosten aftrokken, hebben hiervoor groen licht gekregen van de rechter. Rechtbank Zeeland-West-Brabant vond de aftrek niet buitenproportioneel.

Aftrekpost
In deze zaak vond de Belastingdienst een aftrekpost van € 50.000 voor het gebruik van dertien auto’s veel te veel. Daarom stapten de twee ondernemers, die samen twee bedrijven hadden, naar de rechter. En die stelde hen in het gelijk.

Niet in verhouding
De rechtbank was het niet met de belastinginspecteur eens dat de kosten voor het gebruik van de auto’s niet in verhouding stonden tot het nut van de voertuigen. Zodoende ging de rechtbank niet mee in de stelling van de inspecteur dat een maximale aftrek van € 35.000 op zijn plaats was.

Oldtimers
De rechter stelde dat twee van de auto’s (oldtimers) alleen werden gebruikt om reclame te maken. En voor een auto die ook privé werd gebruikt, had via de bijtelling een correctie plaatsgevonden. Verder waren ook de andere opgevoerde kosten terecht, aangezien bijvoorbeeld de benzinekosten niet lager waren geweest als de ondernemers minder auto’s hadden gebruikt.

Bron: Rechtbank Zeeland / West-Brabant / Elseviernextens

Regeerakkoord nadelig voor MKB (20-03-2018)

Vier beroepsorganisaties van fiscalisten, accountants en administratief dienstverleners – NOB, NOAB, RB en SRA – hebben minister Hoekstra en staatssecretaris Snel van Financiën op 14 maart een brandbrief gestuurd over de negatieve gevolgen voor het MKB van een aantal fiscale maatregelen uit het regeerakkoord van het kabinet Rutte III.

Constatering
De organisaties pleiten voor heroverweging en aanpassing van de maatregelen. Zo kan worden voorkomen dat het MKB – in tegenstelling tot de rest van werkend Nederland – niet meedeelt in de fiscale lastenverlichting of zelfs nadeel lijdt, dat schrijft de NOB.

De organisaties constateren in hun gezamenlijke brief het volgende.
•Werknemers met loon uit dienstbetrekking gaan er flink op vooruit.
•IB-ondernemers met een winst hoger dan de eerste tariefschijf gaan er door de aanpassing van de MKB-winstvrijstelling nauwelijks op vooruit. De tariefdaling voor ‘gewone’ werknemers is maar liefst zes keer zo groot!
•Dga’s genieten door de verhoging van het box 2-tarief vrijwel geen lastenverlaging op overwinsten en krijgen zelfs een forse lastenverzwaring opgelegd voor winsten die de vennootschap in het verleden heeft gemaakt.

Maatregelen
De vier organisaties vinden de volgende maatregelen noodzakelijk en gerechtvaardigd.
•De MKB-winstvrijstelling moet worden gehandhaafd op 14% en dient in box 1 aftrekbaar te blijven tegen het maximale tarief van 49,5%.
•Het aanmerkelijk belang-tarief van box 2 moet 25% blijven en niet worden opgetrokken naar 28,5%. Houdt het kabinet vast aan de voorgestelde verhoging dan moet bij uitkering van al bestaande winstreserves het huidige box 2-tarief van 25% gelden.
•Het loon van de dga wordt belast tegen maximaal 49,5%. Dat tarief blijft veel hoger dan het tarief waartegen de IB-ondernemer wordt belast voor zijn ‘loon’. Dat grote verschil in belastingdruk moet verkleind worden.

In de brief wordt tot slot duidelijk gemaakt dat het kabinet niet bang hoeft te zijn voor ‘een vlucht in de bv’, aldus het NOB.

Bron: NOB / Elseviernextens

Handhaving wet DBA verder uitgesteld tot 1 januari 2020 (21-02-2018)

De handhaving van de wet DBA is verder uitgesteld: opdrachtgevers en zzp’ers krijgen tot 1 januari 2020 geen naheffingen en boetes. Vanaf 1 juli 2018 breidt de Belastingdienst wel de handhaving bij kwaadwillenden uit. Dit staat in de Kamerbrief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de staatssecretaris van Financiën.

Opgeschort
Het kabinet streeft naar nieuwe wet- en regelgeving op 1 januari 2020 om de Wet Deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA) te vervangen. Tot die tijd wordt de handhaving van de Wet DBA opgeschort. Dat betekent dat er niets verandert voor opdrachtgevers en opdrachtnemers die niet kwaadwillend zijn.

Handhaving bij kwaadwillenden per 1 juli 2018 uitgebreid
Kwaadwillend bent u volgens onze definitie als u ‘opzettelijk een situatie van evidente schijnzelfstandigheid laat ontstaan of voortbestaan, omdat u weet – of had kunnen weten – dat er feitelijk sprake is van een dienstbetrekking (en daarmee een oneigenlijk financieel voordeel behaalt en/of het speelveld op een oneerlijke manier aantast)’.

De handhaving richt zich nu alleen op de ernstigste gevallen van kwaadwillendheid. Tot 1 juli 2018 blijft dat zo. Maar vanaf 1 juli 2018 zal de Belastingdienst handhaven in alle gevallen van kwaadwillendheid. Zij moeten dan kunnen bewijzen dat er in zo’n situatie sprake is van 3 dingen:
•een (fictieve) dienstbetrekking
•evidente schijnzelfstandigheid
•opzettelijke schijnzelfstandigheid

Gezag
Of iemand een werknemer is, wordt onder meer bepaald door de vraag of er sprake is van een gezagsrelatie. De Tweede Kamer heeft het kabinet opgeroepen om voor 1 januari 2019 te verduidelijken wat dit begrip – onder de huidige wetgeving – inhoudt. Het kabinet gaat in overleg met de betrokkenen over de knelpunten en zal in een hoofdlijnenbrief nog voor de zomer toelichten hoe dit begrip verduidelijkt wordt.

Ook over andere onderwerpen is nauw contact met belangenorganisaties. Het kabinet wil dat de nieuwe wet- en regelgeving aansluit bij wat er leeft in de praktijk. Daarom worden veldpartijen, zoals zzp-organisaties, werkgevers- en werknemersorganisaties betrokken bij de uitwerking. Onlangs was er een kick-off bijeenkomst met het veld. Bij het uitwerken van de hoofdlijnen van de nieuwe maatregelen zal het kabinet deze partijen opnieuw uitnodigen.

Bron: Belastingdienst / Rijksoverheid

Rechter vindt belasting over spaarrente te hoog (18-01-2018)

Spaarders hebben in 2014 – en mogelijk ook in de jaren daarna – te veel belasting betaald over hun vermogen. Tot dit oordeel kwam het gerechtshof van Amsterdam, dat de vermogensheffing vanwege de lage spaarrente niet meer redelijk en proportioneel vindt.

Bond van Belastingbetalers
De betreffende zaak was aangespannen door de Bond van Belastingbetalers, namens een belastingplichtige die bijna het volledige bedrag dat hij in 2014 aan spaarrente ontving, moest afdragen aan de Belastingdienst. Dit werd veroorzaakt door het feit dat de Belastingdienst tot 1 januari 2017 uitging van 4% rendement op vermogen, waarover 30% belasting werd geheven. Dit leidde tot een heffing van 1,2% van het vermogen. Maar de spaarrente was in 2014 bij veel banken al minder dan 1,2%, zodat bij veel spaarders de belasting over de rente hoger was dan de rente zelf.

Verboden schending
In het verleden zijn al diverse belastingplichtigen in beroep gegaan tegen deze heffing over het vermogen, maar al die beroepen werden ongegrond verklaard. Hof Amsterdam heeft nu voor het eerst een belanghebbende in het gelijk gesteld, door te oordelen dat de vermogensrendementsheffing in 2014 een verboden schending van het recht op eigendom vormde. Wel liet het hof de opgelegde aanslag in stand. Het is eventueel aan de Hoge Raad om de aanslag te vernietigen.

Bron: Gerechtshof Amsterdam

Belastingdienst richt pijlen op rekening-courant (04-01-2018)

De rook van de vuurpijlen is net opgetrokken. Hier en daar klinkt nog een verdwaalde knal en dat zal nog wel even duren. Het nieuwe fiscale jaar belooft namelijk het nodige vuurwerk voor de belastingadviseur. Nieuwe wetgeving, maar ook oude vertrouwde punten vragen dringend aandacht. Eén daarvan is de rekening-courant (rc) van de directeur-grootaandeelhouder (dga).

Grijs gebied
Via een rekening-courant worden kleine, tijdelijke bedragen over en weer geboekt tussen de aandeelhouder en zijn vennootschap. Deze bedragen kunnen onopgemerkt flink oplopen. En dat is spelen met vuur. U kent vast wel iemand die de kans loopt zijn vingers te branden. Om dit te voorkomen moet er worden gehandeld onder voorwaarden zoals onafhankelijke derden in het economische verkeer ook zouden doen, het at arm’s length-beginsel.

Het is duidelijk dat een zakelijke rente moet worden afgesproken. Toch blijft dit een grijs gebied. De staatssecretaris heeft goedgekeurd dat bij een kleine rekening-courant verhouding geen rente berekend hoeft te worden. Het saldo komt dan het hele jaar niet boven de € 17.500,-. Voordeel voor de dga is dat hij geen belaste rente-inkomsten in box 1 hoeft aan te geven. De BV mag dan vanzelfsprekend de rentekosten niet aftrekken. Een praktische regeling, maar discutabel. Zakelijkheid is tenslotte een speerpunt van de belastingdienst. Ik ken geen bank of persoon die mij een tijdje zeventienduizend euro leent zonder dat hij daar iets aan wil verdienen. Sommigen berekenen geen rente wanneer het rekening-courantsaldo aan het begin en eind van het jaar lager is dan € 17.500,-, terwijl het gedurende het jaar wel tijdelijk hoger was. In dit geval geldt de goedkeuring niet en is het berekenen van rente verplicht.

Terug naar de hoogopgelopen rekening-couranten. In Nederland gaat het om een gigantisch bedrag, met een geschatte omvang van circa tien miljard euro. Bij een gebruteerd ab-tarief van 25% kan de belastingdienst een klapper van ruim drie miljard maken. Het gerucht gaat dat de belastingdienst zijn vuurpijlen zal richten op dga’s die onvoldoende middelen hebben om de schuld af te lossen. De eerste pijlen worden afgeschoten op de grotere vissen. Daarna komen de iets minder grote vissen aan de beurt en zo verder. Of de geruchten waar zijn, is afwachten. Maar waar rook is, is vuur.

Risico´s
Hoe hoog de rekening-courant mag zijn, is onder andere afhankelijk van het salaris van de dga. In het economische verkeer is de maximale leencapaciteit immers afhankelijk van het inkomen. Overwaarde van de woning of andere panden wordt mogelijk als zekerheid geaccepteerd. Maar hopelijk heeft de dga meer financiële ijzers in het vuur, zoals beschikbare liquiditeiten of zekerheden die gesteld kunnen worden.

Het is verstandig om na te gaan of er nog voldoende dekking in privé is. Durft u voor alle cliënten de hand in het vuur te steken? Zorg dat de belastingdienst niet tot het uiterste kan gaan en de financiële dromen van uw cliënt als een rotje uiteenspatten. De inspecteur kan namelijk stellen dat sprake is van een uitdeling, kan een gedeeltelijke aflossing eisen of een veronderstelde kwijtschelding aannemen. Voorkom een navordering met als klap op de vuurpijl een vette boete. Een faillissement van uw cliënt ligt mogelijk op de loer. Ga op tijd in gesprek voor een passende oplossing. Bovendien kan nu aflossen door dividend uit te keren tegen 25% fiscaal gunstiger zijn dan later tegen 28,5%.

Ik wil u er nog op attenderen dat het verstandig is om bij nieuw klanten te beoordelen of u geen erfenissen uit het verleden binnenhaalt. De risico´s van een te hoogopgelopen rekening-courant kunnen op uw bordje terecht komen.

Ik wens u een knallend en flitsend 2018! En onthoud: je bent een rund als je met de rekening-courant stunt.

Bron: Elseviernextens

Interessante links (03-01-2018)

We houden u graag op de hoogte van recente ontwikkelingen die u zowel kunt nalezen op onze website als op andere internetbronnen.

Neem voor specifieke informatie ook eens een kijkje op:

Overzicht fiscale wijzigingen per 1 januari 2018 gepubliceerd (22-12-2017)

Het ministerie van Financiën heeft het traditionele Eindejaarsbericht gepubliceerd. Hierin staan de belangrijkste fiscale wijzigingen per 1 januari 2018, inclusief alle relevante bedragen en percentages.

Eindejaarsbericht

Nu de Eerste Kamer op 19 december 2017 heeft ingestemd met het pakket Belastingplan 2018, liggen alle fiscale regels, bedragen en percentages per 1 januari 2018 vast. Wel moeten de wetsvoorstellen nog door de Koning worden bekrachtigd, maar dit is een formaliteit. Daarom heeft het ministerie van Financiën – vooruitlopend op de genoemde bekrachtiging – het Eindejaarsbericht 2018 al uitgebracht. snelkoppeling: https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/circulaires/2017/12/20/eindejaarspersbericht-financien-2018/Belangrijkste+wijzigingen+belastingen+2018.pdf of https://www.rijksoverheid.nl/documenten/circulaires/2017/12/20/eindejaarspersbericht-financien-2018

Inflatiecorrectie
Vanwege de inflatiecorrectie voor 2018 zijn alle bedragen die hiervoor in aanmerking kwamen, verhoogd met 0,8%.

Bron: Ministerie van Financiën

Accountant als deskundige bij herstructurering (08-12-2017)

Een account moet volgens de Commissie MKB als deskundige aan kunnen worden gesteld bij herstructureringsplannen, zo blijkt uit de consultatie over het wetsvoorstel WHOA (Wet homologatie onderhands akkoord ter voorkoming van faillissement).

Herstructurering

De Wet homologatie onderhands akkoord ter voorkoming van faillissement heeft als doel het eenvoudiger te maken voor ondernemingen in financiële moeilijkheden een faillissement te voorkomen. Hierbij kan door de rechtbank een deskundige worden benoemd. De sanering en herstructurering van schulden wordt goedgekeurd (homologeren) als daarmee het faillissement van de schuldenaar kan worden voorkomen.

Het reorganiserend vermogen van ondernemingen kan zo worden versterkt om te voorkomen dat schuldeisers de belangen van de onderneming en betrokken partijen schaadt door een herstructurering tegen te houden.

Onafhankelijk

In het huidige wetsvoorstel is een faillissementsaanvraag alleen te schorsen als de schuldenaar al een aanbod gedaan heeft. Dit komt niet overeen met een Europese ontwerprichtlijn. Volgens de commissie zou dan ook al bij aanvang van een herstructurering het bedrijf beschermd moet worden, schrijft de NBA.

In de ogen van de Commissie MKB zijn de huidige partijen die op dit moment herstructureringen van grote ondernemingen begeleiden niet altijd passend voor dezelfde werkzaamheden in het mkb, aldus het NBA.

De mkb-ondernemer moet de mogelijkheid hebben zelf een “onafhankelijke accountant met een passende aanvullende opleiding” als deskundige aan de rechtbank voor te stellen. De rechtbank heeft dan vervolgens een toetsende taak.

Bronnen
https://www.nba.nl/nieuws-en-agenda/nieuwsarchief/2017/november/commissie-mkb-wil-accountant-als-deskundige-bij-herstructurering-mkb-onderneming/?type=pdf

Bron: NBA / Elseviernextens

Pleegkind en ouder niet langer verplicht tot fiscaal partnerschap (08-12-2017)

Met ingang van 1 januari 2018 kunnen pleegkinderen en hun verzorgende ouders als zij elkaars fiscaal partner zijn een verzoek doen om niet langer als partner te worden aangemerkt door de Belastingdienst. Dit kan met terugwerkende kracht vanaf 2017. Met deze maatregel wordt de situatie van pleegkinderen gelijk aan die van andere kinderen binnen het gezin.

Achtergrond wijziging

Op dit moment worden pleegkinderen na hun 18e verjaardag automatisch fiscaal partner met hun verzorgende ouder, als de ouder geen partner heeft en er ook een minderjarig eigen kind op hetzelfde adres staat ingeschreven. In deze situatie telt de Belastingdienst de inkomens van het 18-jarige pleegkind en ouder op bij het bepalen van de inkomstenbelasting en het recht op toeslagen.

Het beëindigen van het fiscaal partnerschap wordt uitgevoerd op een gezamenlijk door de ouder en het pleegkind ingediend verzoek. Het hangt van de individuele situatie af welke financiële gevolgen het beëindigen van het fiscaal partnerschap heeft voor belastingen en toeslagen. Zo kan het beëindigen van partnerschap meer toeslag opleveren, maar kan een vermogensgrens maken dat het financieel gunstiger kan zijn om partner te blijven van hun pleegkind.

Belastingplan 2018

Om de keuzevrijheid voor pleegkinderen en ouders te regelen, is deze week een beleidsbesluit gepubliceerd in de Staatscourant. Dit besluit loopt vooruit op een wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 en van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, zoals opgenomen in het Belastingplan 2018.

Bron: Rijksoverheid / Elseviernextens

Een op tien ondernemers in zwaar weer (07-12-2017)

Ruim een op de tien ondernemers heeft ondanks de aantrekkende economie last van forse zakelijke tegenslag. Ze kunnen rekeningen niet betalen, kampen met een tekort aan opdrachten of hebben moeite met het verkrijgen van een financiering. Ook op andere manieren hebben ze het lastig, aldus de Kamer van Koophandel (KvK) na eigen onderzoek onder bijna 1200 ondernemers.

Privévermogen

Vaak nemen ondernemers de problemen ook mee naar huis, met als gevolg slapeloze nachten en sociale stress, ook omdat ze veelal het gevoel hebben dat ze er alleen voor staan. Daarbij gebeurt het meer dan eens dat privérekeningen worden aangesproken om zakelijke tekorten te dichten.

Innoveren is een deel van de oplossing

Bijna twee derde (64%) van de ondernemers met forse tegenslag kwam er uiteindelijke weer – soms met de nodige schade – bovenop. Ze verlaagden hun kosten door bijvoorbeeld werknemers te ontslaan, en vergroten hun inkomsten door bijvoorbeeld betere marketing en bijvoorbeeld nieuwe producten en diensten op soms ook nieuwe markten te brengen. Innovatie is dus volgens de KvK een deel van de oplossing. Van de overige 36% verkeert 22% van de ondernemers nog steeds in zwaar weer en 14% is een nieuw bedrijf gestart, nadat het vorige bedrijf is verkocht of al dan niet door faillissement is beëindigd.

Hulp

De meeste ondernemers maken volgens de KvK weinig gebruik van deskundige instanties die adviseren over manieren om de problemen het hoofd te bieden. De organisatie begint een campagne om het taboe te doorbreken. Onder meer door een hulplijn in het leven te roepen hoopt de KvK stress bij ondernemers en faillissementen tegen te gaan.

Bron: Kamer van Koophandel / Elseviernextens

Besluit ‘Omzetbelasting. Administratieve-, facturerings- en andere verplichtingen’ gewijzigd (07-12-2017)

Staatssecretaris Menno Snel heeft het besluit van 6 december 2014 over administratieve, facturerings- en andere verplichtingen voor de btw geactualiseerd. De wijzigingen gelden met terugwerkende kracht vanaf 20 oktober 2017. In totaal gaat het om vier wijzigingen.

Wijzigingen

In het geactualiseerde besluit staan onder andere de volgende wijzigingen:
•Ondernemers kunnen samen afspreken dat één van beide hun afzonderlijke prestaties op één bewijsstuk (bijvoorbeeld een factuur of kwitantie) in rekening brengt. Het kan alleen als factuur gelden als daarop alle gegevens staan die anders op de aparte facturen worden vermeld. De ondernemers die op het bewijsstuk worden genoemd, blijven wel zelfstandig verantwoordelijk voor hun eigen btw-verplichtingen.
•Voor het vervoer van personen met het openbaar vervoer of een taxi geldt het vervoerbewijs als een factuur. De transactieoverzichten van reizen met een OV-chipkaart of vergelijkbare kaarten waarmee op saldo gereisd kan worden, ziet de Belastingdienst als vervoerbewijs. Op een transactieoverzicht dient tenminste te worden vermeld: •de datum van uitreiking;
•de identiteit van de presterende ondernemer;
•de datum waarop de vervoersdiensten zijn verricht;
•het afgelegde traject; en
•het te betalen btw-bedrag of de gegevens aan de hand waarvan het btw-bedrag kan worden berekend. Dit kan bijvoorbeeld door vermelding van de totaalprijs inclusief 6% btw.

•De Belastingdienst mag het recht op aftrek van voorbelasting niet weigeren alleen omdat een factuur niet aan alle formele eisen voldoet. Dat blijkt uit Europese jurisprudentie.
•Het geactualiseerde besluit legt uit wanneer een boedelbijdrage belast is met btw, en wanneer niet.

Btw-behandeling van de boedelbijdrage

Een boedelbijdrage is een vergoeding die wordt betaald aan de faillissementscurator voor werkzaamheden die hij uitvoert voor derde eigenaren/separatisten (hypotheekhouders, pandhouders, partijen die een eigendomsvoorbehoud hebben, etc.). De strekking achter de boedelbijdrage is dat de kosten die de boedel moet maken omdat een schuldeiser zijn rechten als separatist wil uitoefenen, niet ten laste van de andere schuldeisers in het faillissement komen.

Als er een rechtstreeks verband bestaat tussen de betaling door de separatist en de handelingen verricht door de curator ter zake van de uitwinning van een verpande of verhypothekeerde zaak dan kan de boedelbijdrage belast zijn met btw. De vraag of de boedelbijdrage belast is met btw moet beantwoord worden vanuit de failliete boedel en dus vanuit de gefailleerde. De boedelbijdrage is belast als de gefailleerde ondernemer is voor de btw en de verrichte dienst niet gerelateerd is aan zijn privévermogen. De vergoeding is steeds onbelast als de gefailleerde geen ondernemer is voor de btw.

Bron: Belastingdienst / Staatscourant / Elseviernextens

Belastingplan 2018: wijzigingen binnen de inkomstenbelasting (28-09-2017)

In het Belastingplan 2018 zitten een aantal wijzigingen met betrekking tot de inkomstenbelasting. Zo wordt de vrijstelling voor pleegzorgvergoedingen en de geldigheidsduur van de multiplier giftenaftrek met een jaar verlengd, de inkeerregeling afgeschaft en worden de administratieve lasten voor S&O-inhoudingsplichtigen verlicht.

Verlenging geldigheidsduur vrijstelling pleegzorgvergoedingen
Op grond van de in de Wet inkomstenbelasting 2001 opgenomen horizonbepaling vervalt onder meer de vrijstelling van pleegzorgvergoedingen met ingang van 1 januari 2018. Deze vrijstelling is per 2013 ingevoerd. Met de vrijstelling moet worden voorkomen dat bij het bieden van pleegzorg aan meer dan drie kinderen een onderzoek zou moeten worden ingesteld of er sprake is van een bron van inkomen doordat bij het opvangen van meer dan drie kinderen de pleegzorgvergoeding mogelijk uitgaat boven de kosten die pleegouders voor hun pleegkinderen maken. De vrijstelling heeft destijds via de horizonbepaling in beginsel een tijdelijk karakter gekregen, waarbij de vrijstelling uiteindelijk structureel zou kunnen worden gemaakt bij een positieve uitkomst van een door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) in 2017 uit te voeren beleidsevaluatie over de gevolgen van de vrijstelling.

Omdat dit onderzoek noodzakelijk is voor de hiervoor beschreven evaluatie en de resultaten hiervan niet eerder dan begin volgend jaar beschikbaar zullen zijn, is in afwachting daarvan de evaluatie van de vrijstelling voor pleegzorgvergoedingen met een jaar uitgesteld. Voorgesteld wordt de in de genoemde horizonbepaling opgenomen vervaldatum te verschuiven naar 1 januari 2019 en in de loop van 2018 te bezien of de vrijstelling structureel kan worden gemaakt.

Verlenging geldigheidsduur multiplier giftenaftrek
Ook de regeling van de multiplier giftenaftrek wordt met een jaar verlengd. Met ingang van 1 januari 2012 geldt een verhoogde giftenaftrek in zowel de inkomstenbelasting als de vennootschapsbelasting voor giften aan culturele instellingen (multiplier giftenaftrek) om zo de giften extra te stimuleren. Op grond van die horizonbepaling vervalt de multiplier giftenaftrek in zowel de inkomstenbelasting als de vennootschapsbelasting met ingang van 1 januari 2018. Het kabinet heeft in januari 2017 de giftenaftrek, van de praktijk rondom de algemeen nut beogende instellingen (ANBI’s) en de sociaal belang behartigende instellingen (SBBI’s) laten evalueren. Beleidsconclusies aan de uitkomsten van die evaluaties is voorbehouden aan het volgende kabinet. Dat betekent dat een besluit op basis van deze evaluaties over de vraag of de multiplier giftenaftrek al dan niet moet worden gecontinueerd momenteel niet kan worden genomen. Daarom wordt voorgesteld om de geldigheidsduur van de regeling van de multiplier giftenaftrek met een jaar te verlengen.

Inkeerregeling afgeschaft
Het kabinet maakt een einde aan het inkeerbeleid. De inkeerregeling is met ingang van 1 januari 1998 ingevoerd met als achterliggende gedachte dat het risico op een boete een zwartspaarder er niet van zou moeten worden weerhouden om zich te melden bij de Belastingdienst. Over de periode van 2002 tot eind 2016 heeft dat in totaal circa €2 miljard opgeleverd.

Het kabinet vindt daarom de tijd rijp om een einde te maken aan het coulante inkeerbeleid voor belastingplichtigen en toeslaggerechtigden die niet voldoen aan de voor de fiscaliteit en toeslagen geldende wetgeving. Daarnaast vindt het kabinet het onwenselijk dat belastingontduikers (gedeeltelijk) straffeloos kunnen blijven. Dit is een verkeerd signaal naar de maatschappij en is slecht voor de belastingmoraal van burgers die wel tijdig en correct aan hun verplichtingen voldoen.

De Belastingdienst zal daarom, wanneer hij via de inkeerder op de hoogte raakt van een beboetbare of strafbare overtreding, bezien of de overtreding(en) beboeting of strafvervolging rechtvaardigt. Daarbij zullen onder andere het nadeelbedrag, het aantal ontduikingsjaren en recidive worden meegewogen. Door ook strafrechtelijke vervolging in geval van inkeer mogelijk te maken, wordt het opnieuw ontstaan van eventuele onevenwichtigheid in het systeem van bestraffing voorkomen.

Overgangsrecht
Ter zake van de afschaffing van de inkeerregeling in de fiscaliteit en toeslagen wordt voorzien in overgangsrecht. De huidige inkeerregeling blijft voor de fiscaliteit van toepassing met betrekking tot aangiften die vóór 1 januari 2018 zijn gedaan of hadden moeten zijn gedaan en met betrekking tot inlichtingen, gegevens of aanwijzingen die vóór 1 januari 2018 zijn verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt. Voor de in de Awir opgenomen inkeerregeling geldt dat deze van toepassing blijft met betrekking tot inlichtingen en gegevens die vóór 1 januari 2018 zijn verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt.

S&O-verklaringen
Op grond van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (WVA) is een inhoudingsplichtige verplicht over het aantal aan speur- en ontwikkelingswerk (S&O) bestede uren en gemaakte kosten en uitgaven per afgegeven S&O-verklaring een mededeling aan de minister van Economische Zaken (EZ) te doen. Sinds 2016 is het mogelijk om uren, kosten en uitgaven waarvoor een S&O-verklaring is afgegeven later in het kalenderjaar te maken dan in de periode waarop de S&O-verklaring betrekking heeft. Hierdoor is het doen van een mededeling gespecificeerd per S&O-verklaring complexer geworden. Om de administratieve lasten voor S&O-inhoudingsplichtigen te verlichten, wordt daarom voorgesteld het mogelijk te maken dat deze mededeling over alle in een kalenderjaar afgegeven S&O-verklaringen gezamenlijk wordt gedaan.

Met de voorgestelde wijziging van artikel 24, tweede en derde lid, van WVA hoeft een inhoudingsplichtige met betrekking tot het aantal aan S&O bestede uren en gemaakte kosten en uitgaven geen mededeling aan de minister van EZ meer te doen per S&O-verklaring afzonderlijk, maar kan die mededeling voor alle S&O-verklaringen gezamenlijk worden gedaan.

Wijzigende tarieven
Schijven, tarieven en heffingskortingen box 1: Inkomen uit werk en woning
De inkomensgrenzen in de eerste en tweede schijf gaan licht omhoog. De bovengrens van de derde belastingschijf stijgt van € 67.072 naar € 68.507. Het gecombineerde tarief (IB en PH) in de eerste schijf blijft gelijk. In de tweede en derde schijf stijgt het tarief licht met 0,05%. Het tarief in de vierde schijf gaat omlaag van 52% naar 51,95%.

Algemene heffingskorting

De algemene heffingskorting stijgt van € 2.254 naar (maximaal) € 2.265. De algemene heffingskorting wordt afgebouwd tot nihil met 4,683% van het gedeelte van het belastbare inkomen uit werk en woning dat meer bedraagt dan € 20.142.

Arbeidskorting
De maximale arbeidskorting stijgt van € 3.223 naar € 3.249. Het opbouwpercentage daalt van 28,317% naar 28,067%. Het afbouwpercentage blijft 3,6%.

Inkomensafhankelijke combinatiekorting
De maximale inkomensafhankelijke combinatiekorting gaat van € 2.778 naar € 2.801.

Overige heffingskortingen
Het maximale bedrag aan ouderenkorting voor lagere inkomens gaat van € 1.292 naar
€ 1.418. Voor hogere inkomens van € 71 naar € 72. Het bedrag van de alleenstaande-ouderenkorting gaat omlaag van € 438 naar € 423. De jonggehandicaptenkorting gaat van € 722 naar € 728.

Bron: Rijksoverheid / elseviernextens

Handhaving Belastingdienst bij Wet DBA en Wet IB 2001 (28-09-2017)

Hoe zit het met het handhavingsbeleid van de Belastingdienst ten aanzien van de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA) en de implementatieperiode daarvan in verhouding tot de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001)?

De VAR is op 1 mei 2016 komen te vervallen en vervangen door de Wet DBA. Op 1 mei 2016 is de implementatieperiode van de Wet DBA gestart.

Implementatiefase
Tijdens de implementatiefase hanteert de Belastingdienst een “terughoudend handhavingsbeleid” en “biedt de helpende hand bij implementatie”. Deze fase zou aanvankelijk een jaar duren en !open tot 1 mei 2017. Deze fase is inmiddels echter verlengd tot 1 juli 2018. Ook is aangegeven dat de Wet DBA tot 1 juli 2018 niet zal worden gehandhaafd. Dit geldt echter niet voor de evident kwaadwillenden.

Bronbeoordeling en Wet DBA
Bronbeoordeling houdt in de eerste plaats in dat beoordeeld wordt of er sprake is van een bron van inkomen. Een dergelijke beoordeling is bijvoorbeeld relevant als een belastingplichtige structureel verliezen presenteert. Deze beoordeling raakt de Wet DBA dus niet.

Bij de Wet DBA gaat het om de beoordeling van een arbeidsrelatie, waarbij de centrale vraag is of in het concrete geval al dan niet sprake is van een dienstbetrekking.

Bronbeoordeling wordt echter ook wel gebruikt als aanduiding voor de beoordeling welke bron in het specifieke geval aan de orde is. Deze beoordeling – ‘bronkwalificatie’ – kan de implementatiefase van de Wet DBA wel raken.

Heffing inkomstenbelasting
Als tijdens de heffingsfase in de inkomstenbelasting het ondernemerschap wordt onderzocht omdat de aangifte of daaromheen liggende informatie daartoe aanleiding geeft, kan daaruit de conclusie volgen dat daarvan geen sprake is. Dat kan zijn omdat er geen sprake is van een bron van inkomen (bronbeoordeling) of omdat er geen sprake is van ondernemerschap (bronkwalificatie).

Ondernemerscheck
Als uitgangspunt geldt dat de Belastingdienst bij bronbeoordeling de daarbij behorende correcties aanbrengt. De recent ontwikkelde ondernemerscheck, www.belastingdienst-ondernemerscheck.nl, kan eraan bijdragen dat belastingplichtigen zich niet ten onrechte als ondernemer aanmelden of zich zodanig ontwikkelen dat zij wel als ondernemer kwalificeren. Dit punt raakt de Wet DBA niet.

Bronkwalificatie
Mocht daarnaast tijdens het onderzoek het vermoeden ontstaan dat sprake is van een andere bron dan gepresenteerd (bronkwalificatie), bijvoorbeeld loon uit dienstbetrekking, dan raakt dat in de belastingjaren 2016 en 2017 wel aan de Wet DBA en aan het handhavingsbeleid zoals dat tot 1 juli 2018 geldt.

Resultaat uit overige werkzaamheden (row)
Voor de conclusie dat sprake is van loon uit dienstbetrekking zal doorgaans noodzakelijk zijn om ook onderzoek te doen bij de opdrachtgever. Zo ver gaat de Belastingdienst in de implementatiefase niet. Dat betekent dat bij het oordeel dat geen sprake is van ondernemerschap in het kader van bronkwalificatie het standpunt wordt ingenomen dat sprake is van resultaat uit overige werkzaamheden (row).

Dienstbetrekking
Alleen als zonder nader onderzoek overduidelijk is dat sprake is van een dienstbetrekking (zoals bij sommige fictieve dienstbetrekkingen het geval kan zijn), kan het standpunt worden ingenomen dat sprake is van loon uit dienstbetrekking.

Mocht de belastingplichtige zijn standpunt hebben gebaseerd op een modelovereenkomst, zal de Belastingdienst de helpende hand bieden door te wijzen op de verschillen tussen de modelovereenkomst en de werkelijke werkwijze, eventueel met behulp van de ondernemerscheck. Mogelijk kan belastingplichtige dan overgaan tot aanpassingen waardoor wel het beoogde doel wordt bereikt.

Controle van zzp’er
De bronbeoordeling in de inkomstenbelasting kan aan de orde komen bij een controle van een zzp’er. Tijdens de implementatiefase (1 mei 2016 -1 juli 2018) legt de Belastingdienst daarbij niet de nadruk op de bronkwalificatie waar dit de Wet DBA raakt. Daar waar de bronbeoordeling gepaard gaat met bronkwalificatie wordt de daaruit voortvloeiende conclusie naar zijn fiscale gevolgen uitgewerkt, waarbij net als bij de heffing geldt dat de Belastingdienst in DBA-gevallen de helpende hand biedt.

Wat betekent niet-naheffen in LH voor IH van zzp’er?
Voor de loonheffingen is beslist dat de Belastingdienst niet naheft over de implementatieperiode (tenzij evident kwaadwillend), maar wat te doen tot 1 juli 2018 in de inkomensheffing (belastingjaren 2016 en 2017) bij de zzp’er bij de conclusies dat geen sprake is van winst uit onderneming. Zijn de inkomsten dan altijd resultaat uit overige werkzaamheden en wordt niet onderzocht of sprake is van een dienstbetrekking?

Gezien het doel (gewenning) en de doelgroep van het begunstigende beleid (opdrachtgever en opdrachtnemer) ligt het voor de hand dat dit beleid ook betrekking heeft op de IH. De Belastingdienst doet daarom geen onderzoek naar het bestaan van een dienstbetrekking. Als geen sprake is van winst uit onderneming zal de bron van inkomen gecorrigeerd worden in resultaat uit overige werkzaamheden (row).

Voor het onderzoek naar het bestaan van een dienstbetrekking is meer nodig dan alleen een beoordeling van de aangifte IH (met name onderzoek bij de opdrachtgever) en die stap wordt dus tot 1 juli 2018 niet gezet.

Effect van correctie naar row is doorgaans dat de ondernemersfaciliteiten worden gecorrigeerd, maar men wel kostenaftrek overhoudt.

Bron: SalarisNet

Opschorting handhaving Wet DBA uitgesteld tot 1 juli 2018 (30-08-2017)

De opschorting van de handhaving van de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (DBA) is verlengd tot in ieder geval 1 juli 2018. Dat betekent dat opdrachtgevers en opdrachtnemers tot die tijd geen boetes of naheffingen krijgen als achteraf geconstateerd wordt dat er sprake is van een dienstbetrekking. Dat geldt niet voor kwaadwillenden.

Sinds de start van de Wet DBA werd duidelijk dat de arbeidswetgeving niet meer past bij de huidige praktijk voor opdrachtgevers en opdrachtnemers. Het kabinet onderzocht daarom of de arbeidswetgeving herijkt kon worden. De handhaving van de wet was daarom opgeschort tot in elk geval 1 januari 2018.

Inmiddels zijn de resultaten van dit ambtelijk onderzoek bekend en worden deze meegenomen in het formatieproces. Het is aan het nieuwe kabinet om daar keuzes in te maken.

In ieder geval moeten opdrachtgevers en opdrachtnemers voldoende tijd krijgen om hun werkwijze zo nodig aan te passen. Daarom schort staatssecretaris Wiebes de handhaving op tot ten minste 1 juli 2018.

Kwaadwillenden
Zolang er nog geen duidelijkheid is over de herijking van de arbeidswetgeving, krijgen opdrachtgevers en opdrachtnemers geen naheffingen en boetes. De Belastingdienst treedt wel op tegen kwaadwillenden.

Handhaving richt zich niet op zzp’ers met ruis over gezagsrelatie

De handhaving richt zich nu eerst op de ernstigste gevallen: situaties waarin partijen evident buiten het wettelijk kader treden. Het gaat daarbij dus niet om een zelfstandige professional bij wie er ruis is over de gezagsrelatie. Het gaat wel om gevallen waarin opdrachtgevers opereren in een context van opzet, fraude of zwendel.

De Belastingdienst kan in geval van kwaadwillendheid correctieverplichtingen of naheffingsaanslagen opleggen.

Modelovereenkomsten gebruiken
Opdrachtgevers en nemers kunnen – voor wie dat wil – in de tussentijd gewoon gebruik blijven maken van bestaande modelovereenkomsten. In afwachting van de herijking is het niet nodig om nieuwe (model)overeenkomsten te laten beoordelen door de Belastingdienst. Overeenkomsten die toch ter beoordeling worden aangeboden, worden wel beoordeeld.

Bron: SalarisNet

Hypotheekrente stabiliseert (23-08-2017)

De hypotheekrente is na een lange periode van daling aan het stabiliseren. Sinds oktober vorig jaar is de gemiddelde rente zelfs een fractie toegenomen, van 2,40% naar 2,41% procent in juni. Dat constateert De Nederlandsche Bank (DNB).

Daling
Tussen januari 2012 en oktober 2016 was nog sprake van een daling van de gemiddelde hypotheekrente met zo’n 2 procentpunt. Dat kwam vooral doordat de Europese Centrale Bank (ECB) afgelopen jaren flink gesleuteld heeft aan zijn rentetarieven om de economische groei in Europa aan te jagen.

NHG
De Hypotheekshop merkte onlangs al op dat de belangrijkste gemiddelde hypotheekrente, die van tien jaar vast met Nationale Hypotheek Garantie (NHG), na ruim een jaar weer iets boven de 2% uitkwam. Bijna alle hypotheekverstrekkers hebben hun hypotheekrente recent meerdere malen verhoogd. Die beslissingen werden vooral ingegeven door geruchten dat de ECB mogelijk zijn stimuleringsmaatregelen vervroegd zou gaan afbouwen. Nadat de ECB benadrukte dit voorlopig niet te doen, kondigden verschillende aanbieders direct weer een verlaging van de hypotheekrente aan.

Stijging aantal aanvragen
Het aantal aanvragen voor een nieuwe hypotheek is vorige maand in ieder geval verder opgelopen. Het Hypotheken Data Netwerk (HDN) telde circa 37.000 aanvragen, bijna een vijfde meer dan een maand eerder. De organisatie, die ruim vier op de vijf hypotheekaanvragen in Nederland registreert, spreekt van een opmerkelijke piek. Normaal is er in juli altijd een zomerdip in het aantal aanvragen maar die bleef dit keer uit.

Bron: ANP / elseviernextens

Meer maatwerk bij hypotheken voor senioren (23-08-2017)

Voor kortlopende hypotheken die volledig worden afgelost, is niet langer de vaak hogere toetsrente het uitgangspunt, maar de contractrente. Dit geeft meer ruimte aan senioren die met het oog op hun pensioen een deel van hun hypotheek versneld willen aflossen. De wettelijke regeling wordt hiervoor aangepast.

Maatwerk
Dat schrijft minister Plasterk van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een brief aan de Tweede Kamer. ‘Het aantal senioren op de hypotheekmarkt zal de komende jaren stijgen. De behoefte aan maatwerk voor deze groep neemt hierdoor ook toe’, aldus Plasterk. De maatregel volgt uit de gesprekken in het platform maatwerk met kredietverstrekkers, hypotheekadviseurs, hun brancheverenigingen, het Nibud, de Vereniging Eigen Huis, het Waarborgfonds Eigen Woningen en toezichthouder AFM. Het platform werd vorig jaar opgericht na signalen dat kredietverstrekkers terughoudend zijn bij het aanbieden van maatwerk.

Senioren
Tot de groep senioren rekent Plasterk de huishoudens die de AOW-leeftijd hebben bereikt, of binnen nu en tien jaar zullen bereiken. Kredietverstrekkers houden namelijk voor huishoudens die binnen tien jaar de AOW-leeftijd bereiken ook rekening met het toekomstige pensioeninkomen. Zo bestaat er meer zekerheid dat het huishouden de hypotheeklasten ook na pensionering kan dragen.

AFM
Naast dat de Regeling hypothecair krediet wordt aangepast, heeft de AFM verschillende verduidelijkingen en aanvullingen gepubliceerd waardoor kredietverstrekkers meer inzicht hebben gekregen in de mogelijkheden van het aanbieden van maatwerk.

Bron: Rijksoverheid / elseviernextens

Te hoge rekening-courant schuld dga bij eigen bv? (19-07-2017)

Al jaren kijkt de Belastingdienst kritisch naar hoge rekening courantschulden van een directeur-grootaandeelhouder (dga) aan zijn bv. In 2015 werd hierop door een aantal belastingadviseurs geanticipeerd, met de stelling dat een onzakelijke rekening-courant (r/c) belastingvrij kan worden ‘weggestreept’, hiermee de indruk wekkend dat iedere dga belastingvrij van zijn hoge rekening courant schuld bij zijn bv af kan komen. De fiscale (on)mogelijkheden en risico’s werden niet of nauwelijks belicht.

Werkwijze Belastingdienst
Vanuit het Ministerie van Financiën is, vanzelfsprekend, gereageerd dat het belastingvrij wegstrepen van een r/c bestreden zal worden. De Belastingdienst selecteert de aangiften inkomstenbelasting waaruit blijkt dat een dga weinig vermogen heeft (box 3) en waarbij een r/c schuld aan de bv aan de hoge kant is. Vervolgens wordt de dga aangeschreven met de stelling dat ‘op grond van zijn inkomens- en vermogenspositie een willekeurige derde, zonder aandelen in de bv, bij een kredietverschaffer nimmer zo’n fors bedrag aan krediet verstrekt kan krijgen’. Daarna wordt de dga gevraagd om een voorstel te doen voor een afbouw van de r/c schuld naar een zakelijk niveau. De waarde van de aandelen wordt buiten beschouwing gelaten bij de vermogenspositie. Onder zakelijk verstaan ten minste enkele belastinginspecteurs maximaal eenmaal het jaarloon van de dga.

Indien de Belastingdienst de schuldenlast van een dga aan zijn bv te hoog vindt, wordt in eerste instantie besproken of de schuld in een aantal jaren afgebouwd kan worden. Lukt dat niet of vindt de dga een aflossingsschema niet bespreekbaar, dan neemt de Belastingdienst het standpunt in dat (voor een deel) een verkapte dividenduitkering is gedaan. Hierover is 25% inkomstenbelasting verschuldigd.

Bewijslastverdeling
Wie stelt moet bewijzen. Echter de fiscus stelt zonder enige bewijs aan te voeren. Wie zegt dat een derde het krediet niet zou hebben verstrekt? Juist in tijden met langdurig lage rentestanden nemen ook particulieren steeds meer risico’s om toch enig rendement te maken op hun vermogen. En waarom mag in het geheel geen rekening worden gehouden met de waarde die de belastingplichtige bezit in de vorm van de aandelen in zijn bv? Een derde zal daar juist rekening mee houden. Al te makkelijk wordt het standpunt ingenomen dat als de onderneming (van de bv) ‘omvalt’, de schuld van de dga toch nog terugbetaald moet kunnen worden en dat om die reden de waarde van de bv niet meegenomen moet worden in de beoordeling. Een dga zal echter zijn vermogen zoveel als mogelijk bij een persoonlijke holding veilig hebben gesteld. De Belastingdienst zal hier eerst onderzoek naar moeten doen: welk deel van de waarde van de bv draagt risico, en welk deel niet of nauwelijks? En waarom is maximaal eenmaal het jaarloon zakelijk? Niet alleen actueel inkomen speelt een rol, maar ook de verdiencapaciteit van een dga (inclusief mogelijke inkomsten uit dividend) is van belang. Een dga die zijn onderneming heeft verkocht, niet meer werkzaam is en zijn vermogen veilig in zijn bv heeft zitten mag dus geen rekening courant schuld bij zijn bv hebben?

Te onzorgvuldige stelling
Ik ben van mening dat de Belastingdienst te onzorgvuldig stelling neemt jegens dga’s die een ogenschijnlijk hoge schuld hebben aan hun bv. Een dga kan nu eenmaal niet vergeleken worden met een reguliere werknemer. In voorkomende situaties zal de inspecteur niet alleen moeten stellen, maar ook bewijzen.

mr. Niels L. Scholten / Elseviernextens

Handreiking Belastingdienst: toepassen verlaagde bijtelling na 1 juli 2017 (19-07-2017)

Hebt u klanten die aan hun werknemer(s) een auto ter beschikking stellen met een verlaagde bijtelling van 14% of 20%? De Belastingdienst komt met een handreiking, omdat op 1 juli 2017 de voorwaarden voor het toepassen van de verlaagde bijtelling zijn gewijzigd.

Bijtelling verhoogd
Voor een ter beschikking gestelde auto met een datum eerste tenaamstelling (DET) vóór 1 juli 2012 en een CO2-uitstoot van meer dan 50 gram per kilometer is de bijtelling vanaf 1 juli 2017 mogelijk verhoogd naar 25%.

Wisseling eigenaar
Voor auto’s met een DET vóór 1 juli 2012 en een CO2-uitstoot van meer dan 50 gram per kilometer moet u nagaan of de auto van eigenaar is gewisseld op of na 1 juli 2012. Als dit het geval is, geldt de verlaagde bijtelling tot 1 juli 2017. Als de auto op of na 1 juli 2012 niet van eigenaar is gewisseld, geldt de verlaagde bijtelling tot en met 31 december 2018.

60-maandenregeling
Voor andere auto’s hoeft u niet na te gaan of de auto van eigenaar is gewisseld. Voor deze auto’s geldt de verlaagde bijtelling voor 60 maanden. De termijn van 60 maanden start op de eerste dag van de maand na de maand waarin de DET valt. Na afloop van de termijn bepaalt u opnieuw de bijtelling volgens de normen die dan gelden. Is op dat moment geen verlaagde bijtelling van toepassing? Dan is de bijtelling 25% voor auto’s met een DET vóór 1 januari 2017.

Bron: Belastingdienst / Elseviernextens

Restschuldregeling eigen woning eindigt definitief op 31 december 2017 (30-06-2017)

De staatssecretaris van Financiën wil de restschuldregeling niet verlengen. Dat zei hij in antwoord op vragen van de Tweede Kamer. De restschuldregeling is als crisismaatregel ingevoerd met ingang van 29 oktober 2012 en loopt op 31 december 2017 af.

Vereniging Eigen Huis
Vereniging Eigen Huis had minister Dijsselbloem op 1 juni 2017 gevraagd om de restschuldregeling na 1 januari 2018 te behouden. Volgens de vereniging staan nog steeds 340.000 woningen onder water. Bij de verkoop van zo’n woning blijft de eigenaar zitten met een restschuld. Berekeningen van Calcasa onderbouwen deze stelling. Volgens het bedrijf wordt meer dan de helft van de woningen die tussen 2006 en 2009 zijn gekocht met verlies weer verkocht.

Crisismaatregel
De restschuldregeling is als crisismaatregel ingevoerd met ingang van 29 oktober 2012 en loopt op 31 december 2017 af. De maatregel had tot doel de doorstroming op de woningmarkt te bevorderen. Mensen met een zogenaamde onderwaterhypotheek (waarbij de waarde van de eigen woning lager is dan de op die woning rustende schuld) kunnen door de regeling toch verhuizen. De rente en kosten van de schuld die blijft bestaan na verkoop van de woning is tijdelijk aftrekbaar (maximaal 15 jaar).

Herstel van de woningmarkt
De doorstroming op de woningmarkt heeft zich inmiddels hersteld. Er is daarom geen reden meer om de restsschuldregeling na 31 december 2017 te laten voortbestaan, vindt de staatssecretaris.

Bron: Ministerie van Financien / Elseviernextens

CBS: door aftrekposten betalen vier op de tien zzp’ers geen inkomstenbelasting (13-06-2017)

In 2014 waren er 849.000 zzp’ers waarbij de onderneming de belangrijkste bron van inkomen is. Daarvan hoefden er 314.000 zzp’ers geen inkomstenbelasting te betalen dankzij de zelfstandigenaftrek (€7.280 per jaar) en de mkb-winstvrijstelling (14% belastingvrije winst). Dat blijkt uit een analyse van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Geen IB betalen
Het is voor het eerst dat het CBS een analyse maakt van de belastingaangiften van zzp’ers. Over 2014 blijkt nu dat vier op de tien zzp’ers geen inkomstenbelasting afdraagt, doordat zij geen belasting hoeft te betalen over de eerste €24.000 aan verdiensten. Dat is bijna vier keer zoveel als wat een werknemer belastingvrij kan verdienen. Dat meldt de Volkskrant naar aanleiding van de cijfers. Van de 314.000 zzp’ers hadden er 209.000 alleen een zzp-inkomen en 105.000 daarnaast nog een klein neveninkomen, door bijvoorbeeld een deeltijdbaan. Ook deze laatste groep ondernemers betaalt over hun bijverdiensten geen inkomstenbelasting. Of de partners wel inkomstenbelasting betalen is niet meegenomen in de analyse.

Sociaal stelsel
Volgens de krant loopt de schatkist hierdoor een belangrijke bron van inkomen mis doordat de zzp’ers niet bijdragen aan de loon- en inkomensbelasting, of aan de premies voor de oude dag (AOW), het nabestaandenpensioen (ANW) en langdurige zorg voor bijvoorbeeld gehandicapten of bejaarden (WLZ). De Europese Commissie waarschuwde om die reden al eerder dat Nederland te veel zzp’ers heeft. Daar staat tegenover dat zzp’ers zichzelf moeten verzekeren tegen bijvoorbeeld ziekte en werkloosheid en hun pensioen zelf moeten regelen. Dat zegt Koen Caminada, Leidse hoogleraar sociale en fiscale regelgeving. ‘Die kosten zijn een argument voor het betalen van minder belasting, maar niet in de mate zoals nu het geval is.’

Kloof
Ook Leo Stevens, hoogleraar fiscale economie, vindt de verschillen tussen een werknemer en een zelfstandige te groot. Een zzp’er met een bruto inkomen van €24.000 houdt daarvan €28.228 aan besteedbaar inkomen over, rekent Stevens de krant voor. ‘De werknemer, die over zijn brutoloon van €24.000 wel belasting en premies moet betalen, houdt slechts €20.885 over’, zegt Stevens. ‘Die verschillen zijn te groot, temeer daar de werkgever voor een brutoloon van €24.000 vanwege de sociale lasten een kleine €36.000 als loonkosten moet rekenen. Daardoor kunnen werknemers niet meer concurreren met zzp’ers en raakt het evenwicht op de arbeidsmarkt verstoord.’

Bron: Volkskrant / Elseviernextens

Belastingdienst publiceert handreiking ‘Check of de verlaagde bijtelling nog geldt’ (23-05-2017)

Is aan een werknemer van uw klant een auto ter beschikking gesteld met een verlaagde bijtelling? En is de eerste periode van zestig maanden voorbij? Dan wordt de bijtelling voor deze auto mogelijk verhoogd naar 25%. Hierbij moet u letten op de datum eerste tenaamstelling (DET) en de hoogte van de CO2-uitstoot.

Verschillende voorbeelden

Vanaf 1 januari 2017 geldt dat na afloop van de 60-maandenperiode jaarlijks wordt getoetst of de auto tegen de dan geldende C02-grenzen opnieuw voor een verlaagde bijtelling in aanmerking komt. In de handreiking worden vier voorbeelden uitgewerkt.

Voorbeeld 1
Een werknemer heeft een auto ter beschikking waarvan de DET 1 augustus 2012 is. Het betreft een auto met 14% bijtelling en een CO2-uitstoot van 100 gram per kilometer. Tot wanneer geldt de verlaagde bijtelling?

De verlaagde bijtelling voor auto’s met een DET op of na 1 juli 2012 en een CO2-uitstoot van meer dan 50 gram per kilometer, geldt 60 maanden. De termijn van 60 maanden start op de eerste dag van de maand na de maand waarin de DET valt. Voor bovenstaande auto start de termijn dus op 1 september 2012 en eindigt deze op 31 augustus 2017. Vanaf 1 september 2017 is de bijtelling 25%. Dit is de bijtelling zonder korting zoals op 31 december 2016 gold.

Voorbeeld 2
Een werknemer heeft een auto ter beschikking waarvan de DET 3 januari 2012 is. Het betreft een auto met 14% bijtelling en een CO2-uitstoot van 75 gram per kilometer. De auto is niet van eigenaar gewisseld. Tot wanneer geldt de verlaagde bijtelling?

De verlaagde bijtelling voor auto’s met een DET vóór 1 juli 2012 en een CO2-uitstoot van meer dan 50 gram per kilometer, geldt tot en met 31 december 2018 als de auto niet van eigenaar is gewisseld op of na 1 juli 2012. Vanaf 1 januari 2019 geldt er geen verlaagde bijtelling meer. De bijtelling wordt dan 25%.

Voor auto’s met een DET vóór 1 juli 2012 en een CO2-uitstoot van meer dan 50 gram per kilometer moet u nagaan of de auto van eigenaar is gewisseld op of na 1 juli 2012. Als dit het geval is, geldt de verlaagde bijtelling tot 1 juli 2017. Als de auto niet van eigenaar gewisseld is, geldt de verlaagde bijtelling tot 1 januari 2019.

Voorbeeld 3
Een werknemer heeft een auto ter beschikking waarvan de DET 10 maart 2011 is. Het betreft een auto met 0% bijtelling en een CO2-uitstoot van 0 gram per kilometer. Tot wanneer geldt de verlaagde bijtelling?

De verlaagde bijtelling voor auto’s met een DET vóór 1 januari 2012 en een CO2-uitstoot 0 tot en met 50 gram per kilometer geldt tot 1 januari 2017. Vanaf 1 januari 2017 ontstaat geen nieuwe 60 maandenperiode, maar moet jaarlijks worden getoetst of de auto tegen de dan geldende CO2-grenzen opnieuw voor een verlaagde bijtelling in aanmerking komt. Deze auto met 0 gram/km uitstoot heeft in 2017 een bijtelling van 25% minus een korting van 18%, per saldo dus een bijtelling van 7%.

Voorbeeld 4
Een werknemer heeft een auto ter beschikking waarvan de DET 20 april 2012 is. Het betreft een auto met 0% bijtelling en een CO2-uitstoot van 50 gram per kilometer. Tot wanneer geldt de verlaagde bijtelling?

Voor een auto met een CO2-uitstoot van 50 gram per kilometer met een DET van 20 april 2012, geldt een bijtelling van 0% gedurende 60 maanden. De termijn van 60 maanden start op de 1e dag van de maand na de maand waarin de DET valt. Voor bovenstaande auto start de termijn dus op 1 mei 2012 en eindigt deze op 30 april 2017. Vanaf 1 mei 2017 is de bijtelling 25%. Dit is de bijtelling zonder korting zoals op 31 december 2016 gold. In 2017 bestaat voor de auto met een CO-uitstoot van 50 gram/km geen recht op verlaging van de bijtelling.

Bron: Belastingdienst / Elseviernextens

Huwelijkse voorwaarden, periodiek onderhoud vereist! (19-05-2017)

Veel ondernemers hebben huwelijkse voorwaarden, maar de exacte inhoud weet men niet meer of is verouderd. Niet zelden zorgt dit voor onaangename verrassingen en bijbehorende discussies. In deze column hierover meer (voorbeeld).

De scheiding
Ruud en Hetty zijn begin jaren negentig getrouwd onder huwelijkse voorwaarden. Ruud is ondernemer, Hetty heeft altijd voor de kinderen gezorgd. Alle bezittingen, zowel zakelijk als privé, staan op naam van Ruud. Het betreft een onderneming en een woning met een mooie overwaarde. Onlangs heeft Hetty aangegeven te willen scheiden.

Huwelijkse voorwaarden
In het kader van de echtscheiding worden de huwelijkse voorwaarden opgezocht. Zowel Ruud als Hetty wisten eigenlijk niet meer wat daar nu precies in stond. In dergelijke situaties vraag ik vaak naar de achterliggende reden van de huwelijkse voorwaarden. Als partijen daar dezelfde gedachten over hebben, kan dit een mooi startpunt zijn. Voor Ruud en Hetty bleek dit niet het geval. Volgens Hetty is de reden het privévermogen beschermen bij een eventueel faillissement van de onderneming, terwijl het volgens Ruud voor de bescherming van de onderneming bij een scheiding was. Twee nogal verschillende uitgangspunten.

Bestudering van de huwelijkse voorwaarden leert dat iedere gemeenschap is uitgesloten. Er zijn dus strikt gescheiden vermogens. Het gevolg is dat in principe het volledige vermogen aan Ruud toekomt.

Het verrekenbeding
Wel is er een periodiek verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden opgenomen. Dat houdt in dat jaarlijks het overgespaarde inkomen, inkomen dat overblijft nadat alle kosten voor de huishouding zijn betaald, bij helfte wordt gedeeld. Op die manier kon Hetty toch privévermogen opbouwen, mits er sprake was van overgespaard inkomen en er daadwerkelijk jaarlijks werd verrekend.

Ruud en Hetty hebben tijdens hun huwelijk echter nooit uitvoering gegeven aan het periodieke verrekenbeding. Dit komt in de praktijk vaak voor, het is eerder regel dan uitzondering. De wetgever heeft voor dergelijke situaties een bepaling opgenomen in de wet. Al het aanwezige vermogen wordt dan geacht te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, behoudens tegenbewijs. Hetty heeft hiervan gehoord en wil daarom alles 50-50 delen.

Ruud voelt daar helemaal niets voor. Volgens hem ging tijdens het huwelijk altijd alles op, er was nooit wat over. Het volledige inkomen ging op aan de kosten van de huishouding. Hetty geeft toe dat dit inderdaad het geval was, sparen was nooit mogelijk. Voor Hetty is het dan ook maar de vraag of de wettelijke fictie met betrekking tot het niet uitgevoerde periodieke verrekenbeding überhaupt nog enig vorderingsrecht geeft. Voor Hetty voelt dit allemaal wel heel erg wrang. Het lijkt erop dat ze na circa 25 jaar huwelijk met lege handen achterblijft.

Inkomensbegrip
Bij het doornemen van de huwelijkse voorwaarden komt ook het inkomensbegrip aan bod. Belangrijk, want de definitie hiervan maakt of er wel of geen sprake is van overgespaard inkomen. Ruud is ondernemer en heeft een zekere vrijheid in het bepalen van zijn inkomen. Ruud geeft echter aan dat het genoten inkomen echt het maximale was; eventuele gelden die in de onderneming bleven zitten waren echt nodig voor de continuïteit van de onderneming. In de huwelijkse voorwaarden kun je hier afspraken over maken. In de situatie van Ruud en Hetty is hier helaas nauwelijks aandacht aan besteed. Een extra stukje onzekerheid in de scheiding en voer voor discussies.

Periodiek onderhoud
De situatie van Ruud en Hetty laat zien dat het niet up-to-date houden van huwelijkse voorwaarden tot vervelende situaties kan leiden. Voor ons als adviseurs is het van belang inzage te hebben in de huwelijkse voorwaarden. Op het moment van scheiding, maar bij voorkeur al tijdens het huwelijk. Een huwelijk is niet statisch; situaties en wensen van partijen wijzigen. Maak de inhoud van de huwelijkse voorwaarden bespreekbaar en krijg zo helder of deze nog wel aansluiten bij de bedoeling van partijen. Is sprake van achterstallig onderhoud? Betrek de notaris bij de advisering en voer indien nodig alsnog het onderhoud uit. En… maak niet de fout daar te stoppen. Ook dan geldt namelijk dat situaties en wensen door verloop van tijd veranderen, dus blijf periodiek onderhoud uitvoeren!

Bron: Elseviernextens

Verblijfskosten eigen rijders: bedrag 2017 vastgesteld (19-05-2017)

Transportondernemers die meerdaagse internationale ritten maken, kunnen gebruikmaken van de regeling voor aftrek van verblijfskosten. Zij mogen dan per gereden dag een vast bedrag aan verblijfskosten aftrekken. Het bedrag voor dit jaar is vastgesteld op € 35,50. Vijftig cent meer dan in 2016.

Voorwaarden
Aan deze regeling zijn een aantal voorwaarden verbonden:
•De rit moet langer duren dan 24 uur.
•De verste bestemming mag niet in Nederland liggen. Er is geen maximum afstand.
•De regeling geldt voor alle meerdaagse ritten in dat jaar.
•Het aantal gereden dagen moet worden aangetoond met bijvoorbeeld tachograafschijven, facturen en rittenstaten.
•De vertrek- en terugkomstdag tellen elk mee voor een halve dag.

‘U moet elk jaar opnieuw bekijken of u deze regeling wilt gebruiken’, aldus de Belastingdienst. ‘Als u gebruikmaakt van de regeling, hoeft u geen bewijsstukken van de verblijfskosten te bewaren.’

Internationale ritten
De regeling geldt ook voor internationale ritten die starten op meer dan vijftig kilometer van het woonadres van de transportondernemer, ook als deze korter duren dan 24 uur. Hierbij gelden de volgende twee voorwaarden:
•Deze ritten vinden plaats op aaneengesloten dagen (eventueel met ritten waarbij men meer dagen aaneengesloten in het buitenland verblijft).
•Het traject van elke rit bevindt zich geheel buiten een afstand van 50 km van het woonadres van de transportondernemer.

Bedragen
Het bedrag dat eigen rijders mogen aftrekken, wordt jaarlijks aangepast. Het vaste bedrag aan verblijfskosten per gereden dag voor transportondernemers is:

Jaar Bedrag
2013 € 33,50
2014 € 34
2015 € 34,50
2016 € 35
2017 € 35,50

Werkelijke verblijfskosten aftrekken
U kunt er ook voor kiezen om de werkelijke verblijfskosten af te trekken. U moet dan wel aannemelijk kunnen maken dat uw werkelijke verblijfskosten in het betreffende jaar hoger zijn dan het vaste bedrag per gereden dag. Bewijsstukken van de verblijfskosten moet u dus bewaren.

Aftrekbeperking
Voor aftrek van verblijfskosten voor eigen rijders geldt een wettelijke aftrekbeperking. Op de site van de Belastingdienst staat per kostensoort met welk percentage de kosten afgetrokken mogen worden bij het bepalen van de winst uit onderneming.

Bron: Belastingdienst / Elseviernextens

‘Oversluitboete hypotheek vaak veel te hoog’ (21-03-2017)

Banken hebben bij tienduizenden mensen die afgelopen jaar hun hypotheek lieten oversluiten te veel aan boeterente in rekening gebracht. Dat constateert claimorganisatie Oversluitclaim, nadat de AFM duidelijkheid heeft geboden over wat banken hierbij voor vergoeding mogen vragen.

139 miljoen euro te veel betaald

Per geval zou het gaan om ongeveer 3000 euro die consumenten terug zouden moeten krijgen. Er is afgelopen jaar in ieder geval meer dan 139 miljoen euro te veel betaald, aldus de organisatie die een initiatief is van hypotheekadviseur Ikbenfrits.nl. Als eerdere jaren worden meegeteld, dan kan dat bedrag volgens organisatie oplopen tot 4 miljard euro.

Sinds 14 juli 2016 ziet de AFM erop toe dat banken niet te hoge oversluitboetes rekenen. Over wat precies te hoog is en wat niet, bestond echter onduidelijkheid. Daarom startte de toezichthouder een onderzoek. Het resultaat daarvan is maandag gepubliceerd. Op basis van de daarin opgenomen voorbeeldberekeningen is Oversluitclaim aan het rekenen geslagen.

Boetes

De AFM maakte zelf geen inschatting van de schade van gedupeerden. De financiële waakhond roept banken op alle te veel geïnde boetes terug te betalen en zegt later dit jaar te zullen checken of dit ook echt gebeurt.

Die oproep heeft wel alleen betrekking op de periode vanaf 14 juli 2016. Volgens de AFM bestonden er voor die datum ,,geen specifieke wettelijke regels”. Oversluitclaim betwist dit echter en probeert al enige tijd gedupeerden te verzamelen voor een collectieve claimprocedure.

Regels

“Sinds 14 juli 2016 staat uitdrukkelijk in de wet dat de banken geen oversluitboete in rekening mogen brengen die hoger is dan de schade die de bank lijdt. De algemene regels van het consumentenrecht verbood de banken dit vóór die tijd echter ook al. Hierdoor hebben de banken de afgelopen decennia miljarden euro’s extra op hypotheken verdiend”, aldus Oversluitclaim.

Moreel appel

Belangenclub Vereniging Eigen Huis (VEH) laat weten een ‘moreel appel’ te doen op banken om de AFM-leidraad met terugwerkende kracht over een periode van minimaal vijf jaar toe te passen.

Stappenplan en checklist

Om huizenbezitters te helpen duidelijkheid te krijgen over hoe de vergoeding berekend kan worden, heeft de AFM een stappenplan en een checklist opgesteld. Hierin wordt de berekeningswijze in de praktijk stap voor stap toegelicht, en kunnen huizenbezitters lezen waar ze op kunnen letten.

Bron: AFM / Elseviernextens